Sinds kort zeg ik iedere ochtend goedemorgen tegen een plant. Verder gaat het goed met me hoor. Dat praten tegen kamerplanten is wel nieuw.
Na mijn scheiding woonde ik samen met mijn dochter, tegen wie ik ’s morgens vrolijk ‘goedemorgen!’ kon roepen. Later kwam Sokie erbij, mijn poes, die natuurlijk ook uitgebreid begroet moest worden. En zo nu en dan was er een verkering. Die zei ik meestal ook gedag, afhankelijk van hoe de avond ervoor was verlopen.
'Dit voelt als een keiharde trap na, alsof ik word afgestraft voor jarenlang zorgen uit liefde'
Nu is het dus een plant. Een boomphilodendron, met lange stelen en van die enorme donkergroene bladeren met diepe inkepingen.
Maar dit is niet zomaar een kamerplant die ik in een eenzame bui bij de Intratuin heb gekocht. Mijn moeder kreeg hem in 1973, het jaar waarin mijn zus werd geboren. Vanaf dat moment heeft hij eigenlijk maar één ding gedaan: groeien. En niet een beetje. Op een gegeven moment was hij zo groot en zwaar dat mijn moeder de stelen en bladeren met een touw bij elkaar bond en dat touw aan het plafond bevestigde om de boel overeind te houden.
Mijn moeder werd ouder en zieker. De plant werd ouder en sterker. Mijn moeder ging dood. De plant dacht: nou, ik nog even niet.
Nog twee jaar bleef de plant in haar oude huis staan, waar de huurders hem keurig water gaven. Afgelopen zomer moest het huis leeg en wilden mijn zus en ik hem natuurlijk niet wegdoen. Alleen was hij inmiddels zo gigantisch dat geen van ons hem nog in huis kwijt kon.
'We stonden pontificaal op de cover: Nieuwe liefde voor Tatum. Inclusief foto's, gemaakt met een telelens'
Gelukkig kende mijn zus iemand met groene vingers die met de oplossing kwam: stekken. Dus werd de plant van mijn moeder in stukken gezaagd. We vonden het doodeng. Want een plant die het al 53 jaar volhield, wilden wij niet binnen een middag alsnog om zeep helpen.
Mijn zus hield een stek, haar kinderen kregen er een en ik ook. Met wat wortels in een vaas water nam ik hem mee naar huis. Op hoop van zegen.
En hij deed het. Eerst kwam er een nieuwe steel met een blad. Toen nog één. De stelen werden langer, de bladeren groter. Na een maand was hij zijn vaas al uitgegroeid en was het tijd om hem te verpotten. Ik kocht een gigantische pot, sleepte twee zakken aarde naar huis en ging aan de slag. Ook de stek van mijn zus bleek een groen wonder. We stuurden elkaar regelmatig foto’s van onze planten en waren iedere keer als er weer iets nieuws aan zat helemaal excited. Twee volwassen vrouwen die hier dus serieus heel blij van werden. Verder gaat het ook met mijn zus goed.
'Ik ben behoorlijk goed in halsoverkop verliefd worden en meteen denken: dit is de liefde van mijn leven'
Het is voor mij meer geworden dan alleen een plant. Hoe groter hij wordt, hoe meer ik het gevoel krijg dat er iets van mijn moeder in huis is. Ze kreeg in haar leven zoveel ziektes en lichamelijke ellende over zich heen, maar steeds krabbelde ze weer overeind. Ze was een taaie, mijn moeder. Haar plant kennelijk ook. Na 53 jaar maakt hij nog steeds nieuwe wortels en bladeren en groeit hij gewoon verder.
Dus als ik ’s morgens mijn woonkamer binnenkom, zeg ik tegenwoordig: ‘Goedemorgen.’ En soms strijk ik even over een blad.
Mijn dochter woont op zichzelf. Mijn poes is dood. De liefde laat momenteel ook even op zich wachten. Maar mijn moeder staat in mijn woonkamer. En ze groeit als een idioot.
Het beste van LINDA. direct in je mail? Meld je aan voor onze nieuwsbrief.
‘Die avond danste ik met twintig mannen zonder ook maar met één van hen te willen tongen’

















