Het was zeker tien jaar geleden dat ik de plek voor het laatst had gezien. Nou rij ik voor mijn werk het hele land door, maar het Gelderse dorpje Spankeren staat niet vaak op de planning.
Nu kwam ik er, vanwege een wegafzetting, dwars doorheen. Het is het plaatsje waar mijn opa en oma van moeders kant woonden, toen mochten we altijd helpen in de moestuin van mijn grootouders. Langs het spoor hadden ze een stuk land in bruikleen gekregen van de NS. Voor mij als kind was het een soort tuin des overvloeds; altijd vol met groenten, fruit en bloemen. Allemaal netjes in rijtjes geordend.
Nu stond ik vanaf de overweg naar beneden te kijken en was er niets meer van over. Niet zo gek ook, opa en oma zijn al jaren geleden overleden, en ook hun laatste jaren brachten ze al elders door. Het landje stond er troosteloos bij. Of eigenlijk maakte het míj vooral een beetje somber. De plek waar eens zo goed voor gezorgd werd en als cadeau een eindeloze stroom aan eten teruggaf, was nu gewoon een talud vol gras langs het spoor.
'Even stond ik met mijn bek vol tanden, maar gelukkig vulde zij alweer de stilte'
Aan het einde van de straat was het huis waar ze in mijn jeugd woonden, in vijf minuten liep ik er heen. Terwijl ik er vanaf de straat naar stond te kijken, moest ik denken aan vroeger. Mijn grootouders waren gelovig en voor iedere maaltijd werd er gebeden. Daarna ook nog een keer trouwens. Als je in je eentje een logeerpartijtje had, ging dat prima. Het feit dat wij zelf thuis niet actief gelovig waren vonden ze jammer, maar is nooit een issue geweest. Je sloot je ogen, vouwde je handen en wachtte tot het gebed voorbij was.
Het was een heel ander verhaal als mijn broertje en ik er samen waren. Het was altijd wachten tot het moment dat we tegelijk stiekem onze ogen open hadden, want dat is wat je doet als twee jochies. Kijken of de ander keek en anders je ogen weer dicht. Na een paar seconden weer kijken. En het gebeurde vrijwel altijd dat het moment kwam dat we tegelijk onze ogen open hadden.
Zodra onze blikken elkaar kruisten, was het hek van de dam. Het was onze volkssport nummer één om te proberen de ander aan het lachen te krijgen. In stilte uiteraard, want het gebed moest niet verstoord worden; daar was het te belangrijk voor. Scheel kijken deed het vaak goed, maar ook andere soorten gekke bekken trekken of je vinger in je eten steken en daarna aflikken. Alles zonder dat het opgemerkt werd door opa en oma. We hadden er de grootste lol in.
Tot op de dag van vandaag kan ik me het gebed van mijn opa me woord voor woord herinneren. Met kerst wil ik het, voor de lol, nog wel eens opdreunen voor we beginnen aan de eerste gang. Ik zou het hem best graag nog eens zelf horen doen. Om zijn stem nog een keer te horen, omdat ik niets dan warme herinneringen aan opa en oma koester en omdat ik dan nog een keertje samen met mijn broertje uit logeren kon.
Het beste van LINDA. direct in je mail? Meld je aan voor onze nieuwsbrief.
'Daar sta ik dan, midden in de nacht, in mijn onderbroek op straat'



















