Alles wat je kúnt, moet je ook dóen. Want als je iets niét doet, wéét je ook niet of je het kunt.
Ik heb me lang kunnen verschuilen achter de veronderstelling dat ik niets kan. Dat ik twee linkerhanden heb. Maar de juiste aanname zou zijn dat ik niet wéét of ik iets kan. Neem iets simpels als het vervangen van een spotje. In ons huis hebben we er meer dan veel in de plafonds. Regelmatig legt er een het loodje. Toch heb ik nog nooit een spotje vervangen, want: ik heb twee linkerhanden, ik kan dat niet. Het is niet zo dat ik dat hardop uitspreek. Het zit gewoon zo ingebakken bij mezelf en mijn omgeving, dat het door de jaren heen een vaststaand feit is geworden.
Het komt in niemands hoofd op om mij voor zo’n klusje te vragen. Ik heb het nooit gedaan. Een gaatje boren om een schilderijtje op te kunnen hangen? Nooit gedaan. Ik compenseer dat overigens ook niet met een stereotype vrouwelijke bezigheid, zoals het wassen van kleren. Ook nooit gedaan. Ik weet het, ik ben onuitstaanbaar op dat vlak. Ik lijk me verschrikkelijk om mee samen te wonen.

















