Je hebt niet altijd jaren nodig om van iets of iemand te gaan houden. Soms zijn een paar dagen genoeg. Vandaag werd ik weer even verliefd.
Ik liep de sportschool uit toen ik haar zag. En meteen weer verliefd werd. Nou ja, niet op háár. Ik kende haar niet eens. Een kleine beagle-pup schoot tussen mijn benen door. Vrolijk, nieuwsgierig. De riem draaide zich om mijn benen terwijl ze blij naar me opkeek, alsof ze me herkende. “Bennie, kom. Beeeeeennie.”
Ik bleef even staan. Acht jaar geleden hadden wij ook zo’n hondje. Ik weet nog precies op welke dag en waar we haar voor het eerst ontmoetten. Met z’n vieren in de auto naar de Betuwe. Mijn vrouw, de kinderen en ik. Op weg naar ons nieuwe gezinslid. We hadden er lang naar uitgekeken.
Bij het aanbellen hadden we al moeten weten dat dit geen goed idee was. In een smerige gang zaten negen pups tussen de poep en de vliegen. De ammoniaklucht was zo sterk dat de tranen in mijn ogen schoten. Alle alarmbellen gingen af. Dit moesten we niet doen. Nee. Omdraaien, wegwezen, met gierende banden. Nu!
Maar toen kwam ze naar ons toe. Dat kleine snoezige hondje. Kwispelend. We zagen niets anders meer. Liefde maakt blind. Dus deden we het wel. De naam hadden we onderweg bedacht: Koosje. Zij was het, Koosje.
De eerste dagen waren precies zoals je hoopt dat het met een puppy gaat. De kinderen lagen naast haar mand, speelden met haar, gaven haar eten. Koosje beet speels in tenen, plaste op het kleed, dartelde de tuin door en viel vervolgens uitgeput in slaap op een schoot. Ze hoorde er bij. Meteen.
Maar ze werd ziek. Heel ziek. Diarree. Steeds minder energie. Meer diarree. Naar de dierenarts. En nog een keer. En nog een keer. Na een paar dagen hoorden we dat ze niet beter zou worden. Koosje was zeven dagen bij ons. Zeven.
'Mijn plek wordt overgenomen door het sympathieke vriendje van m'n dochter, die knul pikt gewoon m'n hele bestaan in'
Ik weet nog hoe ik het de kinderen vertelde. Met een dichtgeknepen keel. Dat Koosje niet beter zou worden. Dat we afscheid moesten nemen. Er waren tranen. Veel tranen. We kenden haar een week, maar verdriet telt de dagen niet.
Na Koosje kwam er geen andere hond. Gelukkig is er de hond van mijn zus. Een gezelligerd, die vooral als ik een lichte broek draag, mijn schoot als de beste plek op aarde beschouwt. Maar zo af en toe, als we ergens een beagle zien, zijn we weer even terug. “Dat lijkt Koosje wel.”
Dan vragen we ons af hoe ze eruit zou hebben gezien als ze niet ziek was geworden. Of ze ook op schoot zou kruipen, altijd blij zou zijn als je thuiskomt. Of ze net zo eigenwijs zou zijn. Wie zou haar het meest uitlaten, en nog veel meer van die honden-dingen die hondjes zo bijzonder maken. “Bennie, kom.” Ik kijk op. Het pupje rent achter haar baasje aan. Ik blijf nog even staan en fiets daarna naar huis.
Mijn zoon zit aan tafel. “Er liep net een beagle-pupje voor de sportschool”, zeg ik. “Echt een leukerd.” “Een Koosje?” vraagt hij. “Ja.” Hij glimlacht. Ik ook. Even later stuur ik mijn dochter een appje. Net een beagle-pupje gezien. Meteen weer aan Koosje moeten denken. Ze reageert vrijwel meteen: ‘Ahhh Koosje ❤️’
Daarna hebben we het even over haar. Over hoe klein ze was. Over die zeven dagen. Over hoe we haar, acht jaar later, blijkbaar nog steeds allemaal missen. Je hebt niet altijd jaren nodig om van iets of iemand te gaan houden. Soms zijn een paar dagen genoeg. Vandaag werd ik weer even verliefd. Niet op een pup die ik niet kende. Maar op dat hondje van toen. Koosje. Zeven dagen. Kort, maar blijkbaar lang genoeg.
Het beste van LINDA. direct in je mail? Meld je aan voor onze nieuwsbrief.
'Het zijn studenten, geen barbaren ... hield ik mezelf voor tijdens de ontgroening van mijn dochter'
















