Kinderen grootbrengen is één ding. Ze loslaten? Een heel ander verhaal. Jurgen (51) – filmmaker, vader en onze nieuwe columnist – neemt je mee in het avontuur van het uitvliegen. Met humor, verwondering en een tikje weemoed.
03:31 uur, Koningsnacht. Zoon meldt dat-ie weer thuis is. Fijn natuurlijk. Alleen lijkt zijn methode van wekken meer op reanimeren dan iemand subtiel wakker krijgen. Hij hangt boven me en duwt met twee handen stevig op mijn borst, hij duwt, duwt en duwt. Neemt een korte pauze, dan volgt een nieuwe reeks. Hij drukt me zowat door mijn matras. Alsof dit het moment is om EHBO te oefenen. Heel ver weg en vaag hoor ik: “Pap, ik ben er weer, ik ben er weer.” Het duurt even, dan schrik ik wakker.
Zoon schuifelt onze kamer uit, heeft aan zijn meldplicht voldaan, en valt als een blok in een slaap die tot in de middag zal duren, ons half in shock en vooral wakker achterlatend. Je hebt twee soorten ouders. Ouders die denken: ik zie het morgen wel. Die slapen gewoon door. Dat moet heerlijk zijn. En ouders die willen dat hun kind zich ‘s nachts meldt. Die pas slapen als ze weten dat iedereen binnen is. Ik ben van die tweede soort. Dat zit in mijn DNA. Mijn moeder lag vroeger ook wakker tot mijn zus en ik thuis waren. Ze waakte met één oog open. Mijn vader niet, die sliep door.
Het gekke is: als onze kinderen (19 en 22) niet thuis slapen, ben ik ontspannen. Laat ik ze los. Maar zodra ze weer onder ons dak liggen, verandert er iets. Word ik wakker van niets. Of van alles. Van gedachten, geluiden, een fiets die langsraast. En als ik dan eindelijk slaap, diep, dan staat er iemand naast mijn bed op mijn borst te duwen.
'Máxima en ik gaan ver terug, in 2001 wilde zij Nederland leren kennen en ik reisde mee'
Koningsnacht was wat slapen betreft beroerd. Balen, want op Koningsdag wil je topfit zijn. In Blaricum is het druk als mijn vrouw en ik aan ons eerste biertje nippen. Voor ons danst een bezopen bejaarde enthousiast en vooral uit de maat. “Die heeft meer energie dan wij”, grap ik. Na twee biertjes merk ik dat de alcohol sneller aanslaat dan normaal. Dat is het voordeel van weinig slaap. Er loopt een oranje smurf langs. Ik kijk, kijk nog eens. “Het is Koningsdag, dan zijn ze niet blauw”, legt mijn vrouw uit. Het bier laat haar ook niet onberoerd.
Bij Moeke Spijkstra gaat het dak eraf als René le Blanc begint te zingen. “If I tell you that I love you.” En natuurlijk zingen we mee. Hard. Niemand die ons hoort. Dan voel ik een hand op mijn schouder. Ik draai me om. Mijn zoon. En daarnaast mijn dochter. Fris en fruitig. Uitgeslapen ook. Zij wel. Hij vult onze biertjes bij en samen zingen we verder. Met z’n vieren. Zo’n moment waarvan je denkt: ja, dit dus. Drie nummers en wat lauwe biertjes later is mijn vrouw haar vermoeidheid compleet vergeten. Ze wil blijven. Ik niet. Mijn dochter ook niet. Uiteindelijk laat ze zich mee naar huis slepen. Daar wacht nog een verrassing.
Op het plein voor ons huis huppelt een oranje konijn. Hop, hop, hop richting onze voordeur. Ik denk even dat het aan de biertjes ligt, maar de bunny blijkt de vriend van mijn dochter. Logisch. Iets met ‘dat moest van de studentenvereniging’, een boot en Koningsdag in Amsterdam. Hij blijft slapen. Wil even bijtanken. Hij wel. Wij vrezen de nacht die komt. Tot zoon appt. ‘Geen stress’, typt hij. ‘Het wordt geen nachtwerk, Moeke sluit om elf.’ En morgen moet hij vroeg op, voor een cursus op de sportschool: reanimeren.
Het beste van LINDA. direct in je mail? Meld je aan voor onze nieuwsbrief.
'Een tussenjaar? Dat is allesbehalve relaxed, sterker nog: het is keihard werken'
















