Van de zorg over haar kind tot klussen in huis: elke week schrijft Carolien Spaans voor LINDA. over alles waar je als alleenstaande moeder tegenaan loopt.
Voor mensen met een al dan niet lichte vorm van smetvrees zijn vakantieparken een beproeving. De huisjes zijn nooit echt schoon, qua haren van een vreemde tegen de douchetegels geplakt en bestek met spaghettiresten in de keukenlade. In ons Limburgse huisje liggen in de achtertuin kiwischillen, een voorganger heeft kennelijk uitbundig zijn teennagels geknipt en de kinderen van de vriendin met wie ik hier ben, komen terug uit het zwembad met de mededeling dat er kak in het water drijft.
Gruwelend leg ik mijn kleren in een kast die sinds de opening van dit oord geen doekje heeft gezien, de kip bak ik in een koekenpan waarvan de pfas-laag van de krokante bodem krult. Maar dat geeft allemaal niks, ik weet dat na een paar dagen alles went, zolang ik niet nadenk over hoeveel zweet van andere mensen in mijn tijdelijke hoofdkussen zit opgeborgen.
'Voor nagenoeg elke handicap is tegenwoordig een oplossing, maar niet voor mijn gebrek aan ruimtelijk inzicht'
We zijn hier een hele week, Luuk en ik, samen met de vriendin en haar vijf kinderen. We hebben ons er maanden op verheugd. Dit doen we nooit, samen met een ander gezin vakantie vieren. Gezinnen gaan altijd met elkáár, wij zouden alleen maar ballast zijn. Maar hier is een vader die gewoon moet werken en een vriendin die het juist gezellig vindt met ons. Zo is ze, en ik prijs me rijk dat ik haar een jaar geleden heb ontmoet bij het uitlaten van onze honden.
Voor het eerst hoef ik mijn zoon niet de hele dag bezig te houden, er zijn nog vier jongens met dezelfde interesses en een vijfjarige directrice die hun resttijd opeist. Na drie nachten meldt Luuk dat hij niet langer bij mij in bed wil slapen, maar op de kamer van de jongens. Verbijsterd kijk ik ’s avonds naar die lege helft, ik slaap als een os.
Wat ik ook leer, is dat moeders onder elkaar in een moeiteloos en automatisch ritme vervallen. Zonder overleg of aansporing vallen we in een tandem van honden uitlaten, elkaars kinderen drinken en stekkers aanreiken, de een ruimt de afwasmachine in als de ander nogmaals mag klagen over buren die tot twee uur ’s nachts onder ons raam zitten te barbecueën.
Kleine dingen vallen me op. Hoe zij met haar mouw gemorst water opveegt in het restaurant, zoals alleen moeders dat doen. Dat Luuk nul keer chagrijnig is geweest. Dat mijn hond, die doodsbang is voor alle mensen behalve ons, zonder een onvertogen blaf dit hele bonusgezin accepteert. Dat ik voor het eerst in jaren met iemand samen een serie kijk (Love on the spectrum, de beste ooit gemaakt) en dat heel gezellig vind. Hoe ik, weliswaar platonisch, opeens weer een partner heb om de boel te runnen en hoe fijn het is om niet altijd de enige ouder te zijn.
Na die week komen we thuis in een leeg huis, de kat heeft in onze afwezigheid op meerdere plekken een haarbal opgehoest. Op elk oppervlak ligt een berg aarde en stukken vacht, wat fijn is, want dit verder stille en lege huis lijkt nu iets meer op Limburg.
‘Ik vloek, tier en snauw de dagen door en ik slaap hooguit twee uur per nacht, nog zo’n fijn afkickverschijnsel'

















