Van de zorg voor haar kind tot klussen in huis: elke week schrijft Carolien Spaans voor LINDA. over alles waar je als alleenstaande moeder tegenaan loopt.
We lopen weer eens te tobben in het bos, mijn hondenuitlaatvriendin en ik. Onze jongens zijn tien, een leeftijd waarop advies en meningen van ouders minder belangrijk worden en vriendjes die taken overnemen. De mijne was gisteren met rode ogen tegen me aan komen hangen: “Ik heb maar twee vrienden.” De ene was zaterdag komen logeren, de ander kwam tussendoor ook nog spelen, zelden zag ik mijn zoon zo gelukkig. Het zíjn ook twee superjochies, maar zij hebben wel een groter netwerk, meer keuze, meer aanspraak. “Dus als zij niet kunnen, heb ik niemand.”
Mijn vriendin kampt met een groter probleem: haar zoon heeft er nul. Een rotklas, een pestende aanvoerder, zijn enige vriend is uit lijfsbehoud overgestapt naar de vijand en nu staat hij met lege handen en een geknakte ziel, diep verdriet natuurlijk.
'Ik denk zelden aan seks, maar mijn dorre lichaam was dit weekend weer even wakker'
Beiden waren we het gesprek met onze jongens aangegaan. Uitgelegd hoe wat werkt, dat de een nu eenmaal kieskeuriger is dan de ander. Ik hield Luuk voor dat hij zich niet zo moest stukbijten op de mindere kanten van klasgenoten, niemand is perfect. Dat een kind dat overloopt van het zelfvertrouwen niet betekent dat hij zelf niks kan, ik lulde als Brugman maar beklijven deed het niet. M’n vriendin merkte hetzelfde, wat mama zegt zet geen zoden meer aan de dijk. Blijf trouw aan jezelf, je bent goed zoals je bent, probeer eens dit, zeg eens dat: “Ja-haa” of doodse stilte.
“Lastig, hè?” piekerden we.
Maar op die leeftijd waren wij niet anders. De klassendynamiek ook niet. Toen en nu zijn er de popiejopies, de ‘sukkels’ en de rest schippert heen en weer tussen de twee groepen, op zoek naar houvast, soms bij elkaar maar vooral hopend op een anker dat van boven wordt uitgegooid. Ik heb zelf bij alle drie groepen gehoord en ervaren wat de invloed is op je zelfvertrouwen. Hoe eenzaam, gekwetst, fantastisch of verdrietig je je kunt voelen. Hoe lastig scholen het blijven vinden om – ondanks alle goedbedoelde programma’s – te kunnen omgaan met pesten. Dat sommige kinderen bikkelhard zijn.
Pas later leer je wie echt bij je hoort en past. Meestal zijn dat er maar een paar. Ik heb vier vriendinnen. Net als Luuk moet ik me volledig goed voelen bij iemand om diegene toe te laten. Ik heb z’n dertig jaar gedaan over die conclusie, Luuk sneller. Maakt dat het makkelijker? Nee. Ik ben oud genoeg om te overzien dat ik me met die vier gelukkig mag prijzen, hij ziet zijn schamele twee als falen. Als een risico. Wat als het stukloopt?
Ik kan hem niet troosten, mijn tip om te investeren in andere jongens leidt tot schouderophalen. Vanmorgen op het schoolplein stond de ene vriend er al, met om hem heen een groepje jongens. Luuk zei hallo, maar werd niet teruggegroet. Die blík.
“Hij hoorde je vast niet”, zei ik, godzijdank maakte het vriendje zich alsnog los van de rest en kwam naar Luuk toe: “Gappie”. Die andere blik. Opgelucht kon ik daarna naar het bos, naar mijn vriendin, klaar de kreukels uit mijn hart te laten strijken en vice versa. “Het komt goed”, mompelen we met de armen door elkaar gestoken. Gelukkig hebben we elkaar nog.
De hele maand maart lees je op LINDA.nl/PAULINE alles wat gasthoofdredacteur Pauline Wingelaar belangrijk vindt.
'Vroeger waren Luuks vragen een stuk simpeler. En het leven ook'














