Het is vaste prik: als je iets kritisch schrijft over een islamitisch of Marokkaans-Nederlands persoon, zoals ik vorige week deed over voetballer Zakaria Aboukhlal, zijn er grofweg twee soorten reacties: racisten die denken dat je stuk een uitnodiging is om hun buikloop met je te delen en Nederlandse Marokkanen die verantwoording eisen.
Het triomfantelijke gekraai kwam zoals altijd op hetzelfde neer: dat de islam, moslims, Marokkanen, of vul de biculturele gemeenschap van dienst maar in, seksistisch zijn.
Want witte mannen zijn dat niet. Zij laten geen spoor van vernieling achter zich, maken zich niet schuldig aan huiselijk geweld, aanrandingen, verkrachtingen, moord. Hoewel de cijfers en dagelijkse realiteit toch echt een ander beeld laten zien: 45 procent van de Nederlandse vrouwen heeft met fysiek of seksueel geweld te maken gehad en één op de vijf vrouwen met geweld door een (ex-)partner. Het dagelijkse seksisme, klein en groot, is daarbij niet meegerekend.
De andere groep diende zich geheel onverwacht aan. Ik heb niet eerder zoveel kritische berichten ontvangen van Nederlands-Marokkaanse vrouwen op een column die seksisme aankaart. Volgens aanvankelijke berichten had Aboukhlal gezegd dat waar hij vandaan komt, ‘vrouwen niet zo tegen mannen praten’.
Ik vond het een volstrekt geloofwaardige uitspraak, het zijn van die terloopse dingen die mannen zeggen om je klein te houden. Ze zijn niet gebonden aan kleur, cultuur of geloof. Dus toen ik die zaak als uitgangspunt nam, was dat niet om over de rug van een Marokkaan of moslim te scoren, maar om simpelweg het hardnekkige seksisme aan te kaarten, dat op allerlei manieren de levens van vrouwen infecteert.
Aboukhlal zou erbij gelapt zijn, omdat hij geen regenboogtrui aan wilde, was het argument. Wellicht. Het staat iedereen vrij om eigen keuzes te maken, maar wie solidariteit wil in de strijd tegen racisme en islamofobie, zou de regenboog als symbool voor diversiteit niet af hoeven wijzen.
Een collega stuurde me een tweet door van een Marokkaanse dame die schreef dat mijn column haar ‘vies tegenviel’. Als ik hetzelfde had geschreven over Baudet of Wilders, had ik applaus gekregen.
En daar zit de crux. De meeste mensen willen alleen maar wijzen naar anderen en worden boos als je de spiegel omdraait en hen confronteert met de eigen lelijkheid.
Ik kan hier dus schrijven, sommigen vroegen om een ‘rectificatie’, dat het schijnt dat Aboukhlal die opmerking niet heeft gemaakt. Maar het seksisme waar vrouwen wereldwijd mee te maken hebben, de vernederingen, de achterstelling, de onveiligheid en het geweld waar ze iedere dag aan blootgesteld worden, dat kan ik niet rectificeren. Ik wou dat daar net zoveel verontwaardiging over was.
