Een puber heeft recht op privacy. Maar hoe ver gaat dat recht als je als moeder met één tik op je telefoon kunt zien waar je kind uithangt?
Journalist Joan Makenbach probeert de grens te vinden tussen vertrouwen en stiekem toch even kijken.

Een puber heeft recht op privacy. Maar hoe ver gaat dat recht als je als moeder met één tik op je telefoon kunt zien waar je kind uithangt?
Journalist Joan Makenbach probeert de grens te vinden tussen vertrouwen en stiekem toch even kijken.
In mijn jeugd schreef ik dagboeken vol. Geen hoogstaande kost of leesvoer voor het nageslacht. Gewone puberperikelen. Maar ik weet nog goed hoe mijn moeder een keer refereerde aan iets wat in mijn ‘Lief dagboek’ stond. Dat voelde zó erg. Alsof ze een deur had ingetrapt waar duidelijk ‘verboden toegang’ op stond. Ik nam me ter plekke voor dat nooit bij mijn eigen kind te doen.
Fast forward naar nu. Callum, mijn puberzoon van zestien, haat schrijven en kan nog geen verjaardagskaart vol krijgen, laat staan dat hij zijn zielenroerselen op papier zal zetten. Maar hij heeft wel een eigen privé-logboek: zijn mobiele telefoon. Daar bewaart hij zijn geheimen in, neem ik aan. Soms krijg ik een glimp van hartjes, van namen als Ouassima, Kayleigh of Hannah, die hem een Snap hebben gestuurd. Meer info als: ‘uit mijn klas’ of ‘met haar heb ik een streak’ krijg ik niet. Ik laat dat zo. Zijn telefoon ligt regelmatig open en bloot op tafel en toch blijf ik ervan af. Ik zou er nooit zomaar in neuzen, ook al heb ik zijn inlogcode.
Journalist Joan Makenbach maakte met haar gezin een roadtrip door Amerika: 'Mwah', was het oordeel van haar puberzoonLees ook
Gelukkig hoef ik me over zijn online leven niet al te veel zorgen te maken. Daar heb ik hem al jaren op voorbereid. Al veel eerder, toen hij een jaar of acht, negen was, heb ik ellenlange gesprekken met hem gevoerd over de boogeyman die zich online kon voordoen als een leeftijdsgenoot of leuke meid, maar in werkelijkheid een volwassen man of vrouw kon zijn. Iemand die doet alsof hij je vriend is, maar ondertussen iets van je wil wat je nooit aan een vreemde zou geven.
De gevaren kent hij dus allang. Ook als ik daar nu nog eens aan refereer – ‘Pas je wel op, schat? Nooit naaktfoto’s sturen, hè?’ – krijg ik een blik en een lange zucht. As if. Hij weet het heel goed.
Laatst kwam hij zelf verbolgen vertellen dat er iemand op Snap was die zich bij hem voordeed als de vijftienjarige Roos, maar na een minuut vroeg of hij een foto van zichzelf onder de douche kon sturen. Ik kreeg bijna een hartverzakking. Nee, toch? Weer die rollende ogen. Natúúrlijk niet, mam. Hij was toch niet onnozel.
Lastiger vind ik hem los te laten. Daar ben ik bij uitstek slecht in. Ik kon het al amper toen hij klein was. Als kleuter zomaar op playdates bij nieuwe vriendjes, later werden dat zelfs logeerpartijen en dan voor het eerst tien kilometer alleen door de stad naar de middelbare fietsen: man, wat een opgave. Die navelstreng leek nog steeds ergens vast te zitten.
Gelukkig gaat het me steeds beter af hem vrijheden te geven. Mede dankzij apps als Zoek mijn iPhone en het delen van locaties. Dat klinkt natuurlijk nogal tegenstrijdig. Soms twijfel ik daar wel over; is dat eigenlijk niet puur een vorm van surveillance? Ik praat het voor mezelf goed: ik check namelijk niet om te controleren of hij wel naar school is gegaan, ik wil weten of hij onderweg niet het IJ in is gefietst of onder lijn 13 is gekomen. Ik kijk ook niet of Callum wel op voetbal is. Ik wil alleen weten of ik de pasta alvast kan opzetten na de training. En loopt hij nu al naar de bus of zal ik hem even ophalen?
Klinkt allemaal redelijk. Tot je jezelf afvraagt waar ‘gerustgesteld zijn’ ophoudt en ‘controleren’ begint. Want laten we eerlijk zijn: als ik op mijn telefoon kan zien waar mijn kind is, is het natuurlijk ontzettend verleidelijk om ook daadwerkelijk te kijken. Eén klein tikje en ik weet het. Hij is niet bij voetbal, maar ergens drie straten verderop. Callum fietst niet naar huis, maar staat nog op een plein. Of zijn locatie beweegt vrolijk richting het centrum.
Callum weet dat ik zijn locatie kan zien en vindt dat prima. Hij voelt zich niet onder toezicht staan. Dat is het belangrijkste verschil: niet alleen wat je als ouder technisch kúnt controleren, maar wat je kind ervaart. Want privacy is natuurlijk niet per se hetzelfde als geheimen hebben. Privacy betekent ook: een stukje van je leven hebben waar jouw ouder niet voortdurend met een zaklamp overheen schijnt.
Ik weet niet of ik andersom net zo chill zou zijn met een moeder die precies wist waar ik uithing. Ik vrees van niet. Ik groeide op in een tijd waarin ‘als de lantaarnpalen aangaan’ het teken was om naar huis te komen. Mijn moeder had geen idee waar ik na school was. Vast bij een vriendin. Dat het ook ergens in de bosjes, tongend met Danny uit 4 havo kon zijn, wist ze niet. Ze had in ieder geval geen app, AirTag, Find My of andere digitale hulpmiddelen om dat te controleren. Als ik iets niet wilde vertellen, vertelde ik het niet. Na die ene keer dat mijn moeder in mijn dagboek had gekeken, schreef ik er ook geen dingen meer in die ze niet mocht weten. En als ik het wel deed, verstopte ik het op een heel goede plek.
Schermtijd, streaks en TikTok: verveling onder pubers bestaat niet meerLees ook
Mijn zoon heeft het wat dat betreft een stuk ingewikkelder. De jeugd van nu is nog maar op weinig momenten echt privé en laat digitaal een spoor van kruimels achter. Dankzij Magister kun je niet meer jokken dat het cijfer voor Frans nog niet binnen is of het laatste uur spijbelen, want Magister vertelt het al aan je ouders. Snapchat laat zien wanneer iemand actief is. WhatsApp kan verraden wanneer je voor het laatst online was, de bankapp dat je net een croissant hebt gekocht. En met locatie delen is zelfs de klassieke pubervraag ‘waar ben je?’ eigenlijk overbodig geworden.
Het is allemaal erg dubbel. Ik wil dat Callum leert dat ik hem vertrouw. Dat hij fouten mag maken zonder dat er meteen een ouderlijke drone boven zijn hoofd hangt. Dat hij op een dag zelfstandig de wereld in kan zonder dat ik vanuit mijn woonkamer kan zien op welk bankje hij zit. Tegelijk blijf ik gewoon ook een moederkip die graag wil weten of haar kuiken veilig thuiskomt.
Dus ja, ik kijk soms op mijn telefoon waar hij is. En nee, daar schaam ik me niet voor. Maar ik probeer mezelf wel één simpele vraag te stellen voordat ik kijk: wil ik dit weten omdat hij veilig moet zijn, of omdat ík gerustgesteld wil worden?
Dat verschil lijkt klein. Maar misschien zit daar precies de grens tussen zorgen voor je kind en hem bespioneren. Eerlijk gezegd: zolang ik mezelf die vraag nog stel, vertrouw ik erop dat ik niet helemaal ben ontspoord. Al zou ik natuurlijk dólgraag willen weten wie die Hannah precies is.
Het beste van LINDA. direct in je mail? Meld je aan voor onze nieuwsbrief.
‘Het gaat niet om hoe láng jongeren naar hun telefoon staren, meer om wát ze erop doen’Lees ook





