Achtergrond

‘Het gaat niet om hoe láng jongeren naar hun telefoon staren, meer om wát ze erop doen’

Vierkante oogjes en concentratieverlies, maar óók verbinding en steun: smartphonegebruik onder kinderen blijft een heikel punt. Journaliste Margot C. Pol onderzoekt: hoe zielig is het om de laatste in de klas te zijn zónder?

Pling! Een meisje van dertien krijgt een Snap van haar vriendinnen. ‘Je bent ons type niet meer’, sturen ze. ‘Ga in de pauze alsjeblieft ergens anders zitten.’ Een screenshot maken durft ze niet, want daarvan krijgen de afzenders op Snapchat een bericht – precies de reden dat deze meiden niet whatsappen. Ander voorbeeld. Een meisje van twaalf is boos, brutaal en komt haar kamer niet meer uit. Beginfase van de puberteit, denkt haar vader. Tot hij erachter komt dat ze elke dag uren op social media zit. Ze verwijderen de apps, na een tijdje is ze weer zichzelf. Nog eentje dan. Een jongen van elf stuurt kinderporno door in de klassenapp van groep 8. Hij dacht dat het porno voor kinderen was.
Hoe langer je erover nadenkt, hoe logischer het lijkt om basisschoolkinderen géén smartphone te geven. Zo’n kinderbrein is daar toch nog helemaal niet klaar voor? Elk uur op een telefoon is bovendien een uur niet gespeeld, gesport of gedagdroomd; cruciale vaardigheden voor wie wil uitgroeien tot een gezond en evenwichtig mens. Toch hebben telefoons zich razendsnel in de kinder­knuistjes gewurmd. Meer dan de helft van de zeven- en achtjarigen heeft al een eigen exemplaar, van de elf- en twaalfjarigen is dat zelfs negentig procent. Gemiddeld kijken jongeren ruim vijf uur per dag naar hun schermpje. Onderzoek naar de effecten daarvan staat nog in de kinderschoenen. Maar dat schermtijd samenhangt met concentratieproblemen, overgewicht, bijziendheid, een ­vertraagde taalontwikkeling en slaapproblemen, staat vast. En volgens andere onderzoeken ook met angststoornissen, een laag zelfbeeld en verminderde sociale vaardigheden. “Ik denk dat onze kinderen later tegen ons gaan zeggen: waarom hebben jullie die telefoons ongecontroleerd op ons losgelaten”, zei de directeur van een afkickkliniek onlangs op tv. “Zoals wij nu aankijken tegen sigaretten en alcohol, zo wordt er over twintig jaar over het gebruik van de smartphone gedacht.” Een goed begin dus, die nieuwe richt­lijnen van de overheid: geen smartphone vóór groep 8, geen social media voor je vijftiende. Maar míjn bloedjes (zeven en negen) krijgen geen telefoon tot ze veertien zijn, of misschien wel zestien. Dan zijn ze maar de laatste in de klas. Het is voor hun eigen bestwil, ja toch?

VERBINDING EN STEUN
Ook Marieke (41) was een van die vastberaden weigerouders. Kinderen moeten kind kunnen zijn, vond ze, geen slaaf van hun telefoon. Tot ze merkte dat haar dochter van tien ineens alleen thuis zat. “Speel­afspraken werden niet meer op het plein na school gemaakt, maar via de telefoon. We hoorden pas dat al haar vriendinnen gingen discozwemmen, toen een van de ouders erover begon.” ­Verdrietig werd ze ervan: haar dochter, altijd zo sociaal, bleek ineens buiten de boot te vallen.
De zoon van Leila (35) wordt zelfs gepest om wat hij niet heeft. Hij staat in groep 7 bekend als Die Jongen Zonder iPhone. Geen idee wat er op de klassenapp gebeurt of om welke YouTube-shorts de rest lacht. En als zijn vrienden gaan voetballen, komt hij daar pas de volgende dag achter. Hoe meer voorbeelden ik hoor, des te meer ik begin te twijfelen. Wat is eigenlijk erger: de effecten van een smartphone, of de effecten van géén smartphone? Hoe zielig is het om de laatste in de klas te zijn zónder?
Een moeilijke vraag, zegt onderzoeker en universitair hoofddocent ontwikkelingspsychologie Wouter van den Bos. Wat hij in ieder geval weet: geen enkel kind wil anders zijn dan de rest. “Bovendien,” zegt hij, “is het lastig en schadelijk voor kinderen om helemaal buitengesloten te worden van de sociale wereld van anderen.” Daarbij wil Van den Bos na jaren van onderzoek onder jongeren tussen de tien en zestien graag iets nuanceren. “Schermtijd is namelijk helemaal niet zo’n goede voorspeller van mentale gezondheid als veel mensen denken. Het gaat niet zozeer om hoe láng jongeren naar hun telefoon staren, maar veel meer om wát ze op die telefoons doen. Kletsen via apps als WhatsApp en Snapchat gebeurt het meest. En volgens vrijwel alle jongeren heeft dat een ­positieve invloed op ze.”
Maar wacht eens even: het is toch bewezen dat smartphones slecht zijn? Jongeren zijn vandaag de dag een stuk ongelukkiger dan eerdere ­generaties op dezelfde leeftijd, schreef relatiewetenschapper Tila Pronk onlangs in een online bijdrage. Maar wel met een nuance: ‘Er is geen overtuigend wetenschappelijk bewijs dat gemiddeld smartphonegebruik het welzijn van jongeren schaadt. De effecten zijn pas negatief bij ­overmatig gebruik, verslaving of online pesten.’
De echte oorzaak van de grote groep jongeren die niet lekker in z’n vel zit, ligt elders, stelt ze: bij ruzie thuis of op school, klimaatangst, ­eenzaamheid, zorgen over de staat van de wereld. Ja, een telefoon biedt toegang tot een overkill aan slecht nieuws, maar het kan kwetsbare jongeren juist ook verbinding en steun bieden. ‘Verbied de smartphone dus alsjeblieft niet,’ schrijft Pronk, ‘maar begeleid het gebruik.’ En ­daarmee pleiten sommige onderzoekers er júíst voor om er jong aan te beginnen. Op tienjarige leeftijd accepteert je kind immers nog regels en vinden ze het oké als je meekijkt. Eenmaal in de puberteit valt er weinig meer bij te sturen.