Eerst denk ik dat hij een thuisgeilende tijdverspiller is – zo vaak mailt hij. Hij hoort me uit of ik nog meer schrijf dan columns voor LINDA. en wil weten of ik van Connie Palmen houd.
Blijkbaar geef ik het goede antwoord, want hij nodigt me uit voor een lunch. Niet voor de seks, hij zoekt gezelschap op niveau. Hij is auteur, vertelt hij als we in een chic restaurant proosten met een sauvignon. Uit een morsige supermarkttas trekt hij zeven boeken. “Voor jou.”
Terwijl ik me door een driegangenmenu werk, blijft hij aan het woord. Daar heeft hij ervaring mee, merk ik. Af en toe stelt hij pittige vragen over ingezonden polemieken in een opiniekrant. Als de wijn op is, bestelt hij een nieuwe fles. “Mijn chauffeur wacht om de hoek.” Het bedienend personeel dekt de eerste tafels voor het diner wanneer hij de rekening vraagt. Voor de deur van het restaurant drukt hij zich tegen me aan en zoent me op mijn wang. “Het was heerlijk, laten we snel weer afspreken. Hoor ik dan wat je van mijn boeken vindt?”
De weken erna blijft hij mailen. Ik lees hele epistels over zijn nieuwe gazonmaaier en bewakingscamera’s en hij stuurt plots ideeën voor korte verhalen die ik kan schrijven. Twee keer krijg ik een uitgewerkte column voor LINDA.. Hij schrijft wollig en oubollig. ‘Je kunt ze zo insturen.’ Dan vraagt hij mijn adres. Hij wil een kleinigheidje opsturen. Ik biecht op dat ik nog niet aan zijn boeken ben begonnen en suggereer dat hij zijn nieuwe boek beter later kan geven. Hij wil niet wachten. ‘Het is een cadeautje.’ Wanneer hij vier dagen later vanuit zijn vakantiewoning aan de kust van de Middellandse Zee nog een keer mijn adres vraagt, wint mijn nieuwsgierigheid het van mijn wantrouwen.
High-class escort Amber: ‘Op het moment dat ik vooroverbuig hoor ik een zachte klik’
Een week later leeg ik mijn postbus. Een al eerder gebruikte envelop is slordig dichtgeplakt met bruin plakband. Zou dat post zijn van mijn auteur? In de auto scheur ik het papier open. ‘Ik wil dat je hem draagt ter inspiratie en aan mij denkt als je korte verhalen schrijft’, staat er op het begeleidende briefje. In het plastic doosje zit een afgeknipte schuurspons. Er is een slordige snee in gekerfd en daarin fonkelt een ring. Een zilvermerk staat er niet in, maar de steen is groot en grappig. Wat een lief gebaar, denk ik. Thuis mail ik een uitgebreid bedankje. De ring doe ik direct om. Veel zal hij niet waard zijn, als hij zo met de post komt en ook nog in een keuken spons. Bovendien, de auteur en ik hebben elkaar één keer ontmoet. Wat weet hij nu van mij? Hij antwoordt direct. ‘Geniet ervan. Ik vind je lief. Binnenkort weer lunchen?’
Als ik later die week bij de juwelier een horloge ophaal na een batterijwissel, kijkt de winkeleigenaar goedkeurend naar mijn vinger en pakt zijn loep. “Mooie diamant heeft u daar. Wees er maar zuinig op.” De steen in mijn maag is heel even groter dan die in mijn ring.
Dit artikel verscheen eerder in LINDA.138.

















