Als je ouders sterven, ben je wees. En ook als je allang volwassen bent, is dat een hard gelag.
Ik kan me het geluid nog goed herinneren. Het was een soort oerkreet. Hij kwam uit haar tenen en galmde door de woonkamer. Daar zaten mijn broertje en ik op de bank, stilletjes tegen elkaar aan geschoven. Met grote ogen keken we naar onze moeder. Die we – voor zover wij ons als jonge tieners konden herinneren – voor het eerst in ons leven zagen huilen.
Want zij was, elf jaar na het overlijden van haar eigen moeder, nu ook haar vader verloren. Hij had een kort doch liefdevol ziekbed gehad en was 73 geworden. Niet zo oud dat je zegt: “Het is goed zo”, maar ook zeker niet zo jong dat je hoofdschuddend verzucht: “Wat oneerlijk.” Maar onze moeder, die toen 41 was, leerde mijn broertje en mij die dag iets belangrijks: dat je als volwassene nog altijd kind van je ouders bent. “Nu”, zei ze, toen er weer lucht in haar longen zat, “ben ik dus wees.”
'Zo erg was het toch niet? Hij sloeg me zelden met de kachelpook'




















