Van de zorg voor haar kind tot klussen in huis: elke week schrijft Carolien Spaans voor LINDA. over alles waar je als alleenstaande moeder tegenaan loopt.
Mijn schoonouders zijn terug van hun jaarlijkse overzomering in Zuid-Frankrijk, waar ze al vijftig jaar een appartementje hebben. Elke dag wandelen, elke dag naar het strandje, elke dag zon, meloen met ham en een ijsje toe: geen wonder dat ze blijven gaan, ook al is hij flink in de tachtig en loopt zij niet meer als een kievit.
'Naast me ligt mijn zoon met een gebroken hart: 'Mama, je hebt tegen me gelógen''
Ook traditie: thuis in hun Haarlem een reünie. Thee of koffie, een berg chocoladesoesjes en als we blijven hangen toastjes met zalm met dat speciale sausje, het lukt me nog steeds niet om die precies na te maken.
Mijn zwager is er ook, hij hangt loom in de diepe bank met zachte kussens, zoals alleen volwassen zoons dat doen als ze terug zijn op het nest. Ik zit op de andere bank en kijk naar hem, me zoals wel vaker opeens bewust van het feit dat hij en Jean zijn opgetrokken uit precies hetzelfde genenpalet. Ze scheelden vijf jaar en leken niet op elkaar; Jeans broer is breder, met een ronder gezicht. Meer zijn vader, Jean had het smalle van zijn moeder.
Maar toch: die huid, dat haar, de handen en benen: dichter bij Jean kom ik niet. Soms wil ik hem daarom aanraken. Kijken hoe dat voelt, zowel onder mijn vingertoppen als in mijn hart. Ik weet niet meer hoe Jean voelde, zelfs niet als ik mijn ogen dichtknijp en het heel hard probeer. In de afgelopen tien jaar zijn er andere liefdes geweest, met hun eigen huid en bouw, sommigen voelden fijn en anderen minder.
Maar ook dat is lang geleden, niet meer relevant, nooit zo geweest als Jean. Dus uit mijn ooghoek loer ik naar die arm zo vlakbij, het zou raar zijn hem even te aaien. Toch? Als ik het zou vragen, zou mijn zwager vast geen nee zeggen, maar ik vraag het niet. Als ik straks in de auto zit is het gevoel vast weer voorbij. In plaats daarvan aai ik Falco, die aan mijn voeten op het hoogpolige kleed ligt. Dat vindt-ie fijn.
'Ik ben gewend de kar alleen te trekken, maar voor het eerst sinds zijn dood ben ik kwaad op Jean'
Later, thuis, staar ik naar de urn in de vensterbank. Daar zit alles in, het is een zwaar ding. “Hoi”, zeg ik. “Ik miste je vandaag heel erg.” Jean zou ook op die bank van zijn ouders hebben gehangen. Blikken van verstandhouding uitwisselend met zijn broertje als het weer ging over de Russen die alles in de buurt van het appartement opkopen. Over dat die en die is gestorven, over de prijs van het schilderwerk, de parkeerproblemen bij het strandje. Ja-haa, ma, doe mij nog maar een kopje koffie en ik heb honger, maak eens een boterham voor me.
Zijn arm had dan in de buurt van de mijne gelegen. Ik had ’m zo kunnen pakken, maar waarschijnlijk vooral om hem te manen wat liever tegen zijn moeder te doen. Kom op, Hensie, ze heeft je wel gebaard, hè. Luuk is voor de helft gemaakt van Jean. Ze hebben dezelfde benen en billen met een kuiltje erboven, maar verder lijkt hij op mij. Door wat er is gebeurd is het sowieso meer míjn kind.
“We hebben alleen maar prachtig weer gehad”, benadrukte mijn schoonvader die middag nog maar eens, en ik had gedacht: we missen hem allemaal, vandaag.
Het beste van LINDA. direct in je mail? Meld je aan voor onze nieuwsbrief.
'Ik geef de voorkeur aan mannen met een rugzakje. Als ik de verslaafde dokter leer kennen, loopt het helemaal uit de klauwen'

















