Van de zorg over haar kind tot klussen in huis: elke week schrijft Carolien Spaans voor LINDA. over alles waar je als alleenstaande moeder tegenaan loopt.
Mijn vader is jarig, 78 is hij geworden. Als cadeau hebben we hem meegenomen naar een klimbos in de buurt van mijn ouderlijk huis, Luuk en ik denken dat hij dat leuk vindt. “Hola de bola”, sputtert hij voor me, zijn vaste uitspraak als iets naar spannend riekt.
Met argusogen volg ik zijn vorderingen, hij heeft dit nog nooit gedaan en misschien heb ik het overschat, door hoepels klimmen en tokkelen en balanceren op zijn leeftijd. Maar mijn vader is leeftijdsloos, dat denk ik al heel lang. Al tien jaar wacht ik op ouderdomsverschijnselen die niet komen. Zijn geest is onveranderd scherp, hij leest de moeilijkste boeken. Hij zingt, speelt piano en onderhoudt dagelijks de gigantische tuin. Hij staat op ladders en gaat elk jaar met mijn broer een paar dagen wandelen in de Alpen, gelukkiger kun je hem niet maken. Er zit geen gram vet te veel op, hij snoept nooit, wordt niet kaal en amper grijs.
En toch nadert de tijd dat het anders zal worden, misschien dit jaar al, maar je weet het niet. Ik kijk naar zijn vastberaden gezicht en voel de irritatie omdat hij niet meteen snapt hoe die haak en tokkel werken. Hij wil goed zijn in wat hij doet, maar beter gaat het niet meer worden. Daarvoor is 78 een te serieuze leeftijd.
‘Ik vloek, tier en snauw de dagen door en ik slaap hooguit twee uur per nacht, nog zo’n fijn afkickverschijnsel'
Een paar goede vriendinnen verloren hun moeder toen ze pas in de twintig waren. Ik vond dat behalve verschrikkelijk verdrietig toch vooral onvoorstelbaar. Ouders horen voor altijd te leven, daar zijn het je ouders voor. Zonder hen ben je geen kind meer en hoe oud je ook wordt, iedereen heeft ouders nodig.
Door Jeans overlijden ben ik dagelijks bezig met mijn eigen sterfelijkheid, met het onbetwistbare belang dat ik doorleef voor Luuk. Dat mijn eigen ouders op een gegeven moment ouder en dan echt oud zouden worden wist ik wel, zo gaat dat, op een dag zijn we allemaal wees zoals zij dat ook zijn geworden. Maar ik wil er niet aan. Zij zijn mijn honk, mijn rots, als er wat is zijn zij de eersten die ik bel. Ik prijs me rijk dat ik ze allebei nog heb, steeds vaker komt er uit mijn omgeving slecht nieuws. Goed zo papa, denk ik bij elke stap die hij zet. Je hoeft dit niet te doen, maar ik ben zo blij dat je er bent.
Na twee routes meldt hij dat hij het mooi geweest vindt, Luuk en ik moeten vooral nog lekker blijven. We drinken even koffie, daarna stapt hij op zijn fiets – niet elektrisch, dat heeft hij niet nodig.
Terwijl wij onze tuigjes aansnoeren fietst hij weg, zijn rug recht. “Tot straks!”, roep ik en hij steekt zijn hand op, want voor nu en voorlopig is er nog die straks.
Het beste van LINDA. direct in je mail? Meld je aan voor onze nieuwsbrief.
'Na drie nachten meldt Luuk dat hij niet langer bij mij in bed wil slapen, verbijsterd kijk ik 's avonds naar die lege helft'

















