Vriendin twee ken ik sinds peuterspeelzaal De Klimappel, de derde ontmoette ik bij mijn eindmusical in groep acht, ik zat bij haar broer in de klas. ‘Jij kwam na de show op me aflopen, trok je onderlip naar beneden en zei: ‘Kijk wat een grote aft,” vertelt ze weleens, altijd weer grinnikend om die bizarre introductie.
Kennelijk schrok het haar niet af – het wás ook een indrukwekkende mondzweer – bovendien weet je vaak al in de eerste seconde van de eerste ontmoeting of iemand je bloed is of niet. We zijn met z’n vieren respectievelijk 44 en 35 jaar verder, onze vriendschap is sinds die tijd vastgeklonken in cement. Alles – al het zure, zoete en bittere – hebben we met elkaar meegemaakt en ook al zien en spreken we elkaar structureel te weinig, we weten dat wij het met elkaar zullen uitzingen tot we ooit een voor een zullen omvallen.
Omdat we het al jaren roepen, maar nooit deden, hebben we alles op alles gezet om deze vakantie wél een week met elkaar te zijn. Het gehuurde huis in Frankrijk is fantastisch en de zes zoons die we bij elkaar hebben gebaard zitten, hangen, liggen over elkaar heen met hun schermen of verstoren de plattelandsrust met gegil in het zwembad.
Soms kijken we toe en zien we hoe wij op die leeftijd waren. We duimen in stilte dat ze later net zo hecht worden als wij, omdat we weten dat die diepe, onvoorwaardelijke, allesoverstijgende vriendschap een van de grootste cadeaus is die je in het leven kan krijgen. Ik geloof niet in God, maar wel dat sommige mensen op je pad worden gezet omdat ze goed voor je zijn. Dat het de bedoeling is dat je samen oploopt. Soms voor even, soms voor het leven.
Ondertussen voltrekken zich tussen ons vieren de vaste rituelen. We maken elke dag een Jan van Haasteren-puzzel. De schuine blikken als ik weer een verkeerd grapje maak of iemands computer crasht – hoezo altijd bij háár? Met eentje krijg ik altijd ergens mot omdat we beiden zo koppig zijn en maken het meteen weer goed omdat we elkaars bedrading tot op de kleinste las kennen.
De slappe lach, opeens bloedserieus, terloops of onderweg in de auto. We houden belangeloos van elkaars kinderen omdat dat nu eenmaal zo werkt, we zien elkaar worstelen met opvoeden en merken dan de verschillen, zoals wij ook van elkaar verschillen.
Naarmate de week vordert trek ik me terug, ook dat weten ze. Te druk – ik ben slecht in groepen – geeft niks, maar eet wel even mee. De jongens ontwikkelen onderling hun voorkeuren, maar verkiezen de groep, net als wij. De laatste dag nadert, hierna gaan we allemaal onze eigen weg. Naar huis, naar Spanje, nog een weekje met alleen ons eigen kind richting Parijs.
Bekaf draai ik mijn auto de weg op, eindelijk rust. “Hè hè”, zeg ik tegen Luuk naast me. Maar na tien kilometer mis ik ze al en na honderd kilometer app ik dat ook. Luuk zit gepijnigd met zijn vinger in z’n mond te prikken. “Mama, ik heb weer een aft.”
Het beste van LINDA. direct in je mail? Meld je aan voor onze nieuwsbrief.
'Ik blijk al twee jaar chronisch boos te zijn. Op mijn ex-beste vriendin, op gemene kinderen en ook vaak op mezelf'
















