Floor Bakhuys Roozeboom begon, zoals zovelen, vol ronkende gelijkheidsidealen aan het ouderschap. Maar zelfs als je allebei je best doet, groeit de taakverdeling vaak tóch scheef. En dat komt niet door onwil, laat ze in haar nieuwe boek Daar ben jij nu eenmaal beter in zien. Lees hier alvast een hoofdstuk.
Het was heus niet zo dat we slecht beslagen ten ijs waren gekomen. We hadden netjes uitgedacht hoe we het zouden gaan doen. Fiftyfifty, zoals dat tegenwoordig dan zo mooi heet. Hij vier dagen werken, ik vier dagen werken, twee dagen crèche en een dag waarop de opa’s en oma’s een oppasbeurt zouden afwisselen. Een waterdicht plan. Geen speld tussen te krijgen. Gelijkwaardig ouderschap here we come.
Maar, hoe zeggen ze dat ook alweer altijd? De praktijk bleek weerbarstiger. Ik weet niet eens meer of ik me er een heel gedetailleerde voorstelling bij had gemaakt hoe die gedroomde 50-50-verdeling er – behalve in werkdagen dan – precies uit zou zien, ik weet alleen dat Michiel en ik het ouderschap en het gezin dat we samen wilden opbouwen, vanaf het begin als een gezamenlijke onderneming hadden gezien.
Misschien was het naïef, maar we dachten dat we op de paar dingen na die ík biologisch gezien toch echt op mijn to-dolijst moest zetten, zelf in de hand hadden hoe we het allemaal zouden aanpakken. We konden immers zelf bepalen welke rol we in ons gezin op ons zouden nemen en een verdeling maken die bij ons paste. Daarmee zou de kous af zijn. Ik had me van tevoren wel een voorstelling gemaakt van de weg die we zouden inslaan door samen ouders te worden. En ik had ook heus verwacht dat die soms hobbelig zou zijn.
Maar ik was niet bedacht op de diepte van de karrensporen die traditionele rolpatronen al in die weg hadden ingesleten. En, hoe lastig het zou zijn om over die sporen heen een eigen, nieuw spoor te trekken. Hoe hard je aan het stuur moest blijven trekken en hoe gemakkelijk je steeds weer met je wielen in de geul terechtkwam die al voor je klaarlag: glad, recht en comfortabel geworden door frequent gebruik en het verstrijken van de tijd.
Negentien jaar was hij toen ik hem omhoog zag komen in het trapgat van het studentenhuis waar ik toen woonde. Een baggy spijkerbroek, een capuchontrui, een dikke bos donkerbruin haar die hij als Ashton Kutcher in een soort slordige lok over zijn voorhoofd droeg. Zijn ogen een mengelmoes van grijs-bruin-groen die ik nu, ruim negentien jaar later, nog altijd niet goed kan omschrijven, maar overal zou herkennen.
Hij was een van de beste vrienden van mijn huisgenoot. Op een avond belandden we met alle huisgenoten en een aantal van Michiels vrienden in de kroeg. Ik geloof niet dat we veel gepraat hebben. Volgens mij heb ik vooral veel naar zijn gezicht gekeken. Ik was niet gewend zo geïntrigeerd te zijn door iemand, zonder dat er een echt gesprek aan te pas kwam. Voor mij was praten altijd mijn ‘paringsdans of choice’ geweest, omdat ik tot dat moment dacht dat aantrekkelijkheid zat in wat iemand allemaal wist, wat iemand allemaal vond en hoe goed iemand je daar dan van kon overtuigen. Maar Michiel deed daar niet aan. Hij was er gewoon. En ik wilde meteen dicht bij hem zijn.
Toen we die nacht tipsy thuiskwamen, met te veel logés voor te weinig bedden, verklaarde mijn huisgenootje vol overtuiging en autoriteit dat Michiel bij mij op de kamer sliep. Ik lag al in bed toen hij zijn hoofd om de hoek van mijn kamer stak en zei: ‘Volgens mij slaap ik hier.’ Ik zei: ‘Is goed.’ En zo lagen we plotseling naast elkaar in bed, lang voordat we het echt zouden delen. We zoenden. Hij vroeg me mee uit. We gingen op date, maar het ging niet vanzelf.
Ik wilde graag praten, maar praten was zijn taal niet. We probeerden het wel, maar verzandden continu in oeverloze discussies, omdat hij steeds dingen zei die ik onlogisch vond en ik dat vervolgens ook tegen hem zei. Waarop hij mij er vervolgens van probeerde te overtuigen dat de dingen die hij zei heus niet zo onlogisch waren. Aan smoezelige kroegtafeltjes botsten we verbaal tegen elkaar op als nieuwe danspartners die wel van goede wil zijn, maar steeds op elkaars tenen gaan staan.
Ik vond vooral dat hij veel uit zijn nek zat te kletsen en weet dat aan het feit dat hij pas negentien was en wat wist je op zo’n leeftijd nou helemaal? Ik was eenentwintig en dus eindeloos ouder en veel wijzer en ik liet geen moment onbenut om dat duidelijk te maken. Ik dacht toen nog dat gesprekspartners in ronkende volzinnen onder tafel lullen een goede manier was om je bij mensen geliefd te maken.
Ik zie tegenwoordig weleens op sociale media filmpjes voorbijkomen waarin vrouwen tips krijgen hoe ze tegen een man moeten praten zonder over te komen als te intimiderend, autonoom of veeleisend. Veel knikken, glimlachen en weinig tegenspreken, daar komt het meestal op neer. Ik denk dat ik in die eerste dates van Michiel en mij precies het tegenovergestelde heb gedaan: weinig knikken en vooral veel tegenspreken. Volgens de experts in de filmpjes schrik je mannen daarmee af. Michiel vond het enig. Of in elk geval leuk genoeg om me steeds opnieuw op date te vragen. Zijn woorden: ‘Het was in elk geval niet saai.’
Er is een foto uit die eerste tijd waarin we samen in zijn joggingbroek staan, onze armen om elkaar heen geslagen, het elastiek van de broek zo opgerekt dat we er samen perfect in pasten. Gemaakt in het appartement op driehoog in Amsterdam dat per toeval op ons pad kwam. Toen we er introkken hadden we alleen een bank, een tafel en een bed. We konden ons niet voorstellen dat we het ooit vol zouden krijgen. We wisten toen nog niet dat het de plek was waar we ouders zouden worden, twee kinderen zouden krijgen en dat we iedere vierkante centimeter zouden benutten als- of we professionele tetrisspelers waren.
We zijn inmiddels bijna twintig jaar samen. Het onbegrip is er soms nog steeds. Maar we kunnen nu dansen zonder continu op elkaars tenen te gaan staan. Ik leerde hem praten. Hij leerde mij om af en toe mijn kop te houden. Sommige
mensen wie we vertellen over onze stroeve eerste dates, vinden het bijzonder dat het uiteindelijk zo goed heeft uitgepakt. Ik denk dat het schuren en het botsen in het begin ons juist veel heeft gebracht. Omdat er nooit de luchtspiegeling van die onmiddellijke perfecte symbiose is geweest. We hadden niet de illusie dat we elkaar meteen helder zagen en dus moesten we wel goed naar elkaar kijken. Omdat we elkaar niet meteen begrepen, moesten we daar ons best voor doen, en oefening baart kunst.
Inmiddels denk ik dat Michiel mij beter begrijpt dan ik mezelf en andersom. Hij zegt weleens tegen me dat hij mijn gezicht eigenlijk beter kent dan het zijne, omdat hij het vaker ziet. Mijn blikken, mijn fronsen, de trekjes rond mijn mond. Hij kent me als een eindeloos herlezen boek, dat hij alleen nog hoeft te scannen om te weten wat erin staat, omdat hij de woordeloze zinnen die ik met mijn lichaam spreek na al die jaren uit zijn hoofd kent. Ik weet dat hij gelijk heeft; ik heb hetzelfde. Na al die jaren versta ik wat hij zegt met alleen een manier van zuchten, ogen die op ‘open’ of ‘dicht’ staan, de stand van zijn schouders, de energie waarmee hij zijn lichaam door een ruimte draagt.
Ze zeggen weleens dat iedere vrouw instinctief verlangt om een kind te krijgen. Dat ze nu eenmaal zo is geprogrammeerd. Ik weet niet of dat bij mij zo was. Ik wilde graag een kind, met Michiel. Michiel wilde graag een kind, met mij. Of eigenlijk wilde hij er vijf, zo beweerde hij in het begin. We waren allebei niet het type voor meerjarenplannen of uitgekristalliseerde toekomstdromen, maar dat we samen een gezin wilden, wisten we vanaf het begin zeker. Toch hebben we nog tien jaar gewacht om eraan te beginnen. We waren zo gelukkig samen. We hadden geen haast. We genoten van ons leven zoals het was. Dat we na mijn dertigste verjaardag toch besloten ervoor te gaan, kwam vooral voort uit de angst ooit te moeten ontdekken dat we te lang hadden gewacht, onze kans hadden gemist.
Hoe nuchter we er ook aan begonnen, vanaf het moment dat we besloten dat we ‘het gingen proberen’, was ik er iedere dag mee bezig. Het is interessant om te zien hoe snel je kunt transformeren tot iemand die je nooit dacht te worden. Alle vrouwen die ik ken die ooit bewust besloten om zwanger te willen worden, namen zich vooraf voor om daar vervolgens heus niet ‘superobsessief’ mee bezig te zijn en geen van die vrouwen die ik ken maakte dat voornemen ook daadwerkelijk waar.
Plotseling was daar die realisatie dat er een ingenieus en wonderbaarlijk uurwerk in mijn lichaam zat. Het verbaasde me hoe weinig ik er eigenlijk al die tijd van af had geweten. Uren bracht ik door op internetfora met topics als ‘trying to conceive’. Voor het eerst in mijn leven probeerde ik mijn vruchtbare dagen te berekenen, en raakte ik bekend met de verschillende soorten vaginale afscheiding in de verschillende fasen van de cyclus. Was het rekbaar en eiwitachtig? Dan was je vruchtbaar. Op internetfora werden foto’s gedeeld van vingers met vaginaal slijm om andere forumgenoten te laten beoordelen of het ‘eiwitachtig’ genoeg was of niet. Eiwitachtig was de shit. Dat wilde je. Eiwitachtig slijm was het nieuwe doel in het leven.
Voor vrouwen die na de tweede feministische golf zijn opgegroeid met de boodschap dat je vooral moet proberen je zo min mogelijk van je vrouw-zijn aan te trekken en dat vrouw-zijn eigenlijk ook maar gewoon een construct is en een hinderlijk construct bovendien, is het hele proces van zwanger worden en een kind op de wereld zetten een verwarrende aangelegenheid. Het is namelijk een confrontatie met de biologische werkelijkheid van het vrouw-zijn op de meest onontkoombare manier. Een werkelijkheid waar je je plotseling tegenover moet verhouden op een manier waarop je dat nog nooit eerder hebt gedaan. Tenminste, ik had dat niet.
Ik vond het spannend, een beetje stressvol en reuze-interessant. Iedere trip naar de wc werd een klein wetenschappelijk onderzoek. Iedere dag was een nieuwe dag in dit opwindende, hoopvolle experiment. Stel je toch eens voor: op het moment dat ik gewoon een cracker met kaas zat te eten aan de keukentafel, zou in mijn baarmoeder zomaar een duizelingwekkend celdelingsproces gaande kunnen zijn dat uiteindelijk zou kunnen resulteren in een levend en ademend mens met een voorliefde voor kleffe croissants en een aanstellerige muzieksmaak. Mijn lichaam voelde van de ene op de andere dag aan als Wonka’s chocoladefabriek.
Het idee dat zich vanaf dat moment processen in mijn lichaam konden voltrekken die mijn hele toekomst en verdere levensloop voorgoed konden veranderen, nam me volledig in beslag. Naast het leven dat doorging en dat zich van ons besluit om ons voort te planten weinig aantrok, kreeg ik er in mijn hoofd en in mijn lichaam een tweede leven bij. Rond de dagen dat ik ongesteld zou kunnen worden (of niet) en ik een zwangerschapstest zou kunnen doen, veranderde ik in een soort scholier die ongeduldig wachtte op de uitslag van het eindexamen, elke dag dat de uitslag nog op zich liet wachten, voelde als een dag te veel.
Ondertussen beleefde Michiel dit proces totaal anders. Namelijk: niet. Of misschien moet ik zeggen: nauwelijks. Natuurlijk, hij was zich ervan bewust dat we opeens op bepaalde dagen in de maand seks moesten hebben, omdat we anders onze kans voor die maand hadden gemist, maar wat zich in die tussentijd allemaal in mijn hoofd en in mijn lichaam afspeelde – of niet afspeelde – dat ging volkomen langs hem heen. Hij leefde in een wereld waarin het hele idee van zwanger worden nog een abstract gegeven was, iets wat hij naar de achtergrond kon laten glijden tot het vanzelf een keer concreet zou worden. En het zou vanzelf wel duidelijk worden wanneer het zover was.
Zelf was ik een wereld binnengegaan van cycli, temperatuurverschillen, eisprongen en ovulatietesten. Van foliumzuur slikken en alcohol vermijden. Van geen gekke dingen doen, want je weet maar nooit. Van: moet ik extra voorzichtig doen met sporten? Ben ik het al? Zou ik het merken? Zijn mijn borsten groter? Ben ik misselijk? Straalt mijn huid meer dan anders? Glanst mijn haar? Terwijl het proces voor Michiel abstract bleef, was het voor mij zo lijfelijk als wat. Omdat het petrischaaltje waarin het hele experiment zich moest gaan volbrengen, mijn eigen lichaam was.
Het voelde soms alsof ik door een glazen deur een andere wereld was binnengestapt en Michiel in onze ‘oude’ wereld was achtergebleven, zonder zich bewust te zijn van het glazen wandje dat geruisloos tussen ons in was geschoven. Ik zag het glazen wandje wel. Want als hij dingen zei als ‘we zien gewoon wel en als het ineens zo is, dan is het zo’, dan knikte ik omdat ik het verstandig en nuchter vond klinken (en verstandig en nuchter is altijd goed), ondertussen voelde ik ten diepste dat ‘gewoon maar zien’ voor mij al geen optie meer was, omdat de afstand die Michiel voelde tot het hele proces van zwanger worden, voor mij simpelweg ontbrak.
Ook toen ik eenmaal zwanger was, merkte ik dat ik er intensiever mee bezig was dan hij. Natuurlijk is het zo dat dit verschil ook voortkwam uit het feit dat mijn informatiehonger veel groter was dan de zijne, omdat de zwangerschap zich nu eenmaal in mijn lichaam voltrok. Ik was degene die moest bevallen, ik was degene die ons kind zou moeten voeden. Logisch dat ik degene was die hier alvast alles over wilde weten. Toch durf ik te zeggen: dat was het niet alleen. Vanaf het moment dat we zwanger probeerden te worden en eigenlijk al daarvoor, waren alle kindgerelateerde boodschappen, alle informatie, alle geboden en verboden op mij, de vrouw, gericht geweest.
Niet alleen worden anticonceptie en gezinsplanning uitsluitend als een vrouwenzaak gepresenteerd, ook het waarborgen van gezonde (toekomstige) bevruchtingen komt op haar conto. In 2021 nam de World Health Organisation in een omstreden eerste versie van een rapport over alcoholpreventie het advies op dat niet alleen zwangere vrouwen, maar alle vrouwen ‘of childbearing age’ zouden moeten worden ontmoedigd om alcohol te drinken. Van de puberteit tot de overgang dus: een half mensenleven. Dit alles om het welzijn van zelfs nog niet bestaande foetussen te beschermen. Dat niet alle vrouwen moeder willen worden en ook het alcoholgebruik van mannen die een kind verwekken de gezondheid van de foetus kan beïnvloeden, deed er
blijkbaar niet toe.
Thema’s als anticonceptie, abortus en het voorkomen van onbedoelde zwangerschappen worden vrijwel uitsluitend als een vrouwenzaak geframed. De mannelijke rol in dit geheel wordt vaak maar zijdelings genoemd of zelfs volledig buiten beschouwing gelaten. Eens in de zoveel tijd verschijnen er in de media bezorgde analyses over het feit dat mensen steeds later kinderen krijgen en de impact die dit heeft op de vruchtbaarheid. ‘Vrouwen stellen het steeds langer uit,’ lees je dan, alsof de keuze om later aan kinderen te beginnen niet ook door mannen kan worden ingegeven. Hetzelfde zie je bij de berichten over het dalende geboortecijfer. ‘Vrouwen krijgen steeds minder kinderen.’ Dat zal best. En mannen?
Vanaf het moment dat Michiel en ik voor het eerst probeerden zwanger te worden, was het opvallend hoe er in de voorlichting en de informatie over vruchtbaarheid voornamelijk gehamerd werd op wat ik als vrouw allemaal zou moeten doen of laten om de kans op een gezonde zwangerschap zo groot mogelijk te maken, maar dat er van de stappen die Michiel kon zetten om een gezonde bevruchting te bevorderen nauwelijks werd gerept. Ook al is inmiddels bekend dat de levensstijl van de man, in veel gevallen toch de persoon die de helft van de genen aanlevert, in het hele plaatje toch ook niet onbelangrijk is. Ook nadat de zwangerschap eenmaal een feit was, richtte alle informatie vanuit instanties en zorgverleners zich op mij.
Michiel vertelde me later dat hij het lastig vond om voor zichzelf een plek in het geheel te bepalen. Toen bij mijn zwangerschapscursus op een zaterdag een partnerles werd georganiseerd, die specifiek gericht zou zijn op partners, had hij dat bijzonder fijn gevonden. In een intensieve sessie van een paar uur had de docent de partners bijgepraat over hoe een bevalling zich eigenlijk voltrok, wat ze konden verwachten en hoe zij hun partner tijdens de bevalling tot steun konden zijn. Michiel had in zijn oren geknoopt dat hij tijdens eventuele rugweeën met al zijn kracht op mijn rug moest duwen (harder dan je denkt) en dat hij bij het persen mijn schouders naar beneden moest houden, omdat ik anders ‘naar boven’ zou persen en de aders in mijn ogen zouden kunnen knappen (super).
Het was al met al een informatieve en nuttige middag geweest vol illustraties, oefeningen en demonstraties en Michiel was opgelucht dat hij eindelijk ook een beetje een beeld had gekregen van de mysterieuze beproeving die voor ons lag. Het voelde prettig om een rol toebedeeld te krijgen, te weten dat hij onderdeel kon zijn van de ervaring en voor mij van praktisch nut kon zijn. Naderhand troffen we op een terras vrienden wie hij over de les vertelde. Toen we klaar waren met vertellen, wierpen ze Michiel een blik toe waarin ik een mengeling van leedvermaak en medelijden dacht te ontdekken. ‘Ik zie je al helemaal zitten in zo’n zaaltje. Beetje puffen op zo’n skippybal, haha. Arme jongen.’
Het was niet kwaad bedoeld en zo vatte ik het ook niet op, maar ik weet nog wel dat de lacherige reacties me stoorden. Niet alleen omdat ze een ervaring die voor Michiel waardevol was geweest – zij het goedmoedig – ridiculiseerden, maar ook omdat die reacties voor mijn gevoel iets wezenlijks blootlegden: hoe verschillend er naar de vanzelfsprekendheid van onze bijdragen aan dit hele proces werd gekeken. In diezelfde periode was ik met Michiel in gesprek over de vraag of hij in de laatste weken van mijn zwangerschap misschien even geen alcohol moest drinken.
Hij ging met enige regelmaat in het weekend uit met vrienden en je weet nu eenmaal nooit wanneer een baby komt. Ik kende zelf meerdere vrouwen die in die laatste weken met spoed naar het ziekenhuis hadden gemoeten, omdat de baby eerder kwam of vanwege een onverwachte complicatie.
De mensen met wie ik dit besprak vonden het overdreven dat ik dit aan Michiel had gevraagd. Tja, zeiden ze, tja. Wat ik zei, tja, dat was natuurlijk allemaal wel zo. Maar kom op. Michiel vragen om vier hele weken niet te drinken, terwijl hij toch niet degene was die zwanger was. Alleen maar ‘voor de zekerheid’. Dat was toch ook wel een beetje zielig voor hem en bovendien nogal overdreven, ja toch? Bovendien kon je je afvragen, zo vonden zij, of de hinder die Michiel hiervan zou ondervinden, wel in verhouding stond tot het mogelijke risico. Hoe groot was de kans nou echt dat ik zou gaan bevallen net als hij een avondje te veel gedronken had?
Ik knikte vaagjes, maar begreep de redenering niet. Ik mocht negen maanden niet drinken, werd geacht allerlei etenswaren te laten staan, activiteiten af te zweren en mocht alleen nog maar op mijn linkerzij slapen, ook al was niet dit niet mijn natuurlijke slaaphouding. Allemaal vanwege een relatief klein risico, allemaal ‘voor het geval dat’. Waarom zou dat in dit geval dan zo anders zijn? Uiteindelijk ging het allemaal toch om hetzelfde: om doen wat je moet doen, omdat er vanaf nu een belang was dat boven het onze ging, om het nemen van je verantwoordelijkheid? Waarom werd het dan zo’n vreemd idee gevonden dat Michiel ook iets van die verantwoordelijkheid zou dragen?
Het zou natuurlijk kunnen dat de reacties destijds ook voortkwamen uit het feit dat veel van Michiels vrienden toen zelf nog niet in de ‘babyfase’ aanbeland waren. Ook denk ik dat er door de veranderende attitude richting alcohol inmiddels wel anders op mijn afwegingen zou worden gereageerd. Toch denk ik dat de reacties wel degelijk iets blootlegden over de manier waarop we naar de verantwoordelijkheidsverdeling rond conceptie en zwangerschap kijken. Ik interviewde eens de Vlaamse historica en onderzoeker Noëmi Willemen, gespecialiseerd in de geschiedenis van het moederschap. Zij legde me uit hoe we als maatschappij de verantwoordelijkheid voor het welzijn van (ongeboren) kinderen buitenproportioneel bij moeders zijn gaan neerleggen en in veel mindere mate bij vaders of bij het collectief.
Dat uit zich niet alleen in de eerdergenoemde adviezen rond vruchtbaarheid die zich vaak uitsluitend op vrouwen richten, maar ook in risicomanagement. ‘We maken ons een stuk drukker over een individuele zwangere vrouw die een trekje van een sigaret neemt dan over het fijnstofniveau in de stad waar zij en al haar zwangere stadgenoten in rondlopen.’ In het complexe samenspel van factoren dat op het welzijn van een kind van invloed kan zijn, lijkt het alsof we al onze zorgen en al onze angsten in een pakketje vol mogelijke rampspoed hebben samengebracht en dat we dat pakketje vervolgens hebben geadresseerd aan de moeder.
Daar komt bij dat de hoeveelheid informatie over wat goed of juist funest is voor een (ongeboren) kind die vooral over moeders wordt uitgestort, door de opkomst van sociale media alleen maar toeneemt. En de noodzaak om in die zee van vaak tegenstrijdige informatie continu de juiste beslissingen te nemen dus ook. In onze geïndividualiseerde samenleving waarin vrouwen niet langer door een hecht netwerk van vrouwelijke kennissen en familieleden worden klaargestoomd voor het aanstaande moederschap, maar in plaats daarvan via folders, apps, websites en socialmediaposts worden overstelpt met een bijkans onmenselijke hoeveelheid tegenstrijdige informatie waar zij zich vervolgens op eigen houtje een weg door moeten zien te banen, krijgen vrouwen continu mee dat het welzijn van haar kind afhangt van de keuzes die zij maakt.
Dit leidt volgens Willemen tot een druk op vrouwen die tijdens de zwangerschap inmiddels bijna groteske proporties heeft aangenomen, waarbij het voor een zwangere vrijwel onmogelijk is geworden om nog zonder keuzestress en schuldgevoel de dag door te komen: alles, alles, alles, kan mogelijk schadelijk zijn voor je kind. De lucht die je inademt. De producten die je op je huid smeert. De kleding die je draagt. De geluiden die je hoort. Wat je eet. Wat je drinkt. Hoeveel je beweegt (of niet). Hoeveel je slaapt (of niet). Hoe je je voelt. Hoe je je niet voelt. Wat je denkt, wat je niet denkt. Zelfs de stress die je eventueel tijdens de bevalling ervaart kun je op je kind overbrengen, dus pas daarvoor op!
In haar iconische moederschapsmemoir Een levenswerk beschrijft Rachel Cusk hoe ze vanuit het ziekenhuis een stapel folders meekrijgt over dieet, acupunctuur, yoga, zwangerschapsgymnastiek, ouderschapscursussen, hypnose en waterbevalling, waarin niets staat wat ze niet al weet. ‘Want,’ zo schrijft ze, ‘de moderne zwangerschap wordt beheerst door een regime dat adembenemend homogeen is in zijn propaganda, zijn eretekens, zijn taal. Geen Koreaans cheerleadersteam is ooit met zo’n ijzeren vuist geregeerd als zwangere vrouwen in de westerse wereld.’
Vervolgens beschrijft ze de lijst met geboden, verboden en onheilstijdingen die vrouwen tijdens hun zwangerschap van alle kanten krijgen ingepeperd: ‘Eet blauwe kaas en je baby krijgt listeria, een stille symptoomloze ziekte waardoor je baby gruwelijk misvormd zal raken. Aai de kat en je baby krijgt toxoplasmose, een stille, symptoomloze ziekte waardoor je baby gruwelijk misvormd zal raken.
Een paar dagen lang meer dan veertig graden koorts kan je baby beschadigen in de eerste zeven weken, dus ga niet naar de sauna of in een heet bad en draag trouwens op geen enkel moment van de zwangerschap een trui, anders zal je baby gruwelijk misvormd raken. Drink of rook niet, moordenaar. Slik geen aspirine. Draag een gordel als je in de auto zit; je kunt de onderste riem losser zetten als je hem niet over je onderbuik krijgt. Iedereen die denkt dat zwangerschap de enige tijd in je leven is dat je dik mag zijn, vergist zich. Nuttig geen taart, koek, witte bloem, chocola, snoepjes, frisdrank of zoutjes.
“Als je de vork naar je lippen brengt,” zegt een boek over dit onderwerp, “kijk er dan naar en denk: is dit het beste hapje dat ik mijn baby kan geven? Als het antwoord nee is, leg dan de vork neer.”’
Zwanger worden en een kind krijgen is niet langer de ultieme overgave aan het grote kansspel van het leven, het is een proeve der onfeilbaarheid geworden. Wee de moeder die niet slaagt voor het examen waarvoor de slagingseisen continu veranderen en waarvan de hele samenleving examinator is. Een moeder moet niet alleen onfeilbaar zijn, maar het liefst een halve heilige. En een zwangere al helemaal. Ze kan niet alleen worden afgerekend op hoe ze haar kind behandelt, maar ook op hoe ze zichzelf behandelt, omdat ze daarmee indirect toch ook weer haar kind beïnvloedt. De moeder wordt aangesproken als de ultieme eindverantwoordelijke. En dat begint dus al vóór het moment dat een vrouw überhaupt zwanger is.
Nu zijn er vast vrouwen die hier heel rebels van worden, maar ik herinner me vooral hoe ik me vastklampte aan de geboden. Zelden heb ik me zo vol overgave de weg laten wijzen. Zelden heb ik me zo minutieus voorbereid. Aan mij zou het niet liggen, ik wilde de perfecte leerling zijn.
Bij mijn vriendinnen zag ik eenzelfde soort toewijding. We gingen naar een zwangerschapsbootcamp. Volgden een bevalcursus. En appten eindeloos over en weer over wat we nu weer hadden gelezen, wat we nu weer hadden gehoord, waar we ons op verheugden en waar we bang voor waren. Want aan alle kanten werd ons duidelijk gemaakt dat we de transformatie van persoon naar Moeder niet te licht moesten opvatten. Dit was een opdracht die we alleen met volledige toewijding en minutieuze voorbereiding tot een goed einde zouden kunnen brengen.
Och, wat was mijn voorbereiding minutieus. Niet alleen voor de bevalling, ook voor de periode na de geboorte van ons kind. Ik plande rondleidingen bij kinderdagverblijven, las de inspectieverslagen van potentiële crèches en zette ons kind maanden voor zijn geboorte alvast op de wachtlijst van de favorieten in de buurt. Ik kocht de kleertjes. Ik richtte de commode in. Ik zette een vluchttas klaar. Ik zocht uit wat we allemaal in huis moesten hebben en sprokkelde via Marktplaats een bescheiden babyuitzet bij elkaar. Ondertussen bracht ik een duizelingwekkend aantal uren op informatiewebsites, apps en internetfora door.
Ik kan niet voor alle zwangere vrouwen spreken maar er zullen er vast meer geweest zijn die tijdens hun zwangerschap een soort dubbelleven leidden, waarin ze zich naar de buitenwereld gedroegen alsof ze het heus leuk vonden allemaal, maar ze er ook heus niet De Hele Dag mee bezig waren, terwijl ze ondertussen heimelijk van ’s ochtends vroeg tot ver na middernacht door sites als mamasenbabietjes.nl zaten te scrollen om te lezen wat een babyuitzet eigenlijk is, wat er in de vluchttas moet, hoe je een bevalling overleeft, hoe een uitgescheurde vagina eruitziet en met welk stuk fruit je de baby in je buik nu het beste zou kunnen vergelijken.
Als een kind dat in de Mini-playbackshow het metamorfose-ei van Henny Huisman binnenstapt en dan in een mist van rook en glitter verdwijnt om aan de andere kant getransformeerd een nieuwe wereld te betreden, stapte ik het metamorfose-ei van het mierzoete mama-universum binnen. Zodra ik aan de andere kant het ei weer was uitgestapt en via de showtrap naar beneden liep, kreeg ik al snel de bevestiging: dit was de plek waar het qua ouderschap allemaal gebeurde. Hier werd de basis gelegd, werden de kaarten geschud. Hier werd de informatie gedeeld. Hier kreeg je te horen wat belangrijk was en wat je gerust mocht vergeten. Hier vertelden ze je welke spullen je nodig had, welke ervaring je moest opdoen en hoe voorbereid je moest zijn en waarop dan precies en bij voorkeur ook wanneer.
Ook bleek het een ontmoetingsplaats voor mensen die ongeveer op hetzelfde moment het metamorfose-ei waren binnengestapt. Op het marktplein van het mama-universum ontmoette ik mijn andere zwangere vriendinnen. Goedgemutst gingen we op verkenningstocht. Als leden van dezelfde expeditie. We verdiepten ons in wat voor gear we nodig zouden hebben, welke highlights we niet mochten overslaan, welke ontberingen we zouden moeten trotseren, en welke voorbereiding onontbeerlijk was.
Aan de horizon wachtte de ontmoeting met ‘je kindje’, als de beloofde pot met goud aan de voet van de regenboog. Maar de weg daarnaartoe was bezaaid met hindernissen, doodzondes en risico’s die koste wat kost vermeden dienden te worden. Iedere misstap kon jou of je baby fataal zijn, maar terug kon je niet meer. Doorgaan was de enige optie en het mama-universum vertelde je hoe.
Razendsnel raakte ik vertrouwd met een universum waarin Michiel totaal de weg niet kende, en waarvan hij misschien het bestaan zelfs nauwelijks vermoedde. Terwijl hij nog niet eens over de drempel van die nieuwe wereld was gestapt, was ik de persoon geworden achter de informatiebalie, die alles wist en aan wie je alles kon vragen.
Zeker in het begin vond ik dat ook niet erg. Ik vond zwanger zijn en het idee dat ik een kind op de wereld zou gaan zetten een groots en meeslepend en volkomen verbijsterend wonder en ik kon mijn geluk niet op dat ik het mee mocht maken. Dat ik iets mocht gaan beleven dat zo aards was en toch zo ongelooflijk was.
Ik heb tijdens mijn zwangerschap weleens aan Michiel gevraagd of hij het zelf niet zou willen ervaren. Als het mogelijk was geweest dat hij als man het kind zou dragen, baren en voeden, of hij dan met mij had willen ruilen. Hij zei van niet. Hij zei dat hij eigenlijk wel blij was dat de kaarten zo verdeeld waren. Ik dacht: je weet niet wat je mist.
De allereerste keer dat je het kind dat in je buik woont, voelt bewegen, een gevoel dat ze ook wel beschrijven als vlinders in je buik, maar dat meer lijkt op een goudvis die achtjes zwemt of een kleine dolfijn die met zijn rug net langs het oppervlak van het water scheert. De sensatie van twee billen of een elleboog tegen je ribben aan voelen beuken, of een voetje dat je door de huid van je strakgespannen buik heen bijna kunt vastpakken.
Je eigen lichaam zien veranderen op een manier die volstrekt natuurlijk voelt, maar waar je hoofd nooit helemaal bij kan, omdat het te bizar is om te bevatten. Je eigen buik op het laatst zo rond als een ballon, zo groot als een kind dat je al in je armen zou kunnen houden. Dat je naar je lichaam kijkt en niet kan geloven dat het zo is en tegelijkertijd niet meer kan bedenken hoe het ooit nog anders zou kunnen zijn.
Ik zag mezelf tijdens het hele proces van zwanger worden en zwanger zijn als de uitverkoren astronaut en Michiel als de gedwongen thuisblijver. Het voelde alsof ik de kans kreeg om een trip te maken naar een mysterieus en onbekend oord, waar ik me tijdelijk mocht onderdompelen in alle plaatselijke gebruiken en eigenaardigheden, om daarna weer vol verhalen en nieuwe ervaringen terug naar huis te keren. Achteraf denk ik dat ik onvoldoende besefte dat ik nooit meer in dezelfde wereld zou terugkeren, of misschien was de wereld nog wel hetzelfde, maar ik niet meer.
Ik realiseerde me toen namelijk nog niet dat mijn onderdompeling in deze nieuwe wereld niet een soort tijdelijk uitstapje was, maar dat het feitelijk het begin was van iets veel definitievers. Van een verwijdering tussen ons die nog tot lang na de bevalling zou doorwerken. Pas terugkijkend kon ik beseffen dat het grote scheefgroeien toen al was begonnen.
LINDA. sprak Floor Bakhuys Roozeboom over haar nieuwe boek. Lees hier het interview.
Meer lezen? Dit fragment komt uit Daar ben jij nu eenmaal beter in van Floor Bakhuys Roozeboom | €22,99 | Uitgeverij Nijgh & Van Ditmar

Het beste van LINDA. direct in je mail? Meld je aan voor onze nieuwsbrief.
Floor Bakhuys Roozeboom: 'Als de kinderen komen, slaat de ongelijkwaardigheid je in het gezicht'

















