“Dat is geen cyste.” Soms kunnen de kortste zinnetjes de grootste gevolgen hebben. Ik voel de tafel onder me vandaan klappen, in de schemer van de radiologiekamer barsten de tranen opeens ongecontroleerd uit mijn ogen.
Het is wél een cyste, wil ik zeggen.
Negen maanden geleden lag ik hier ook, nadat ik opeens iets in mijn borst had gevoeld. De dienstdoende assistent had na een mammografie en echo gezegd dat er niks aan de hand was. Ik was vandaag alleen maar teruggekomen omdat die knikker zeer deed, zo net op het randje van mijn behabeugel of als Luuk er tegenaan leunde bij het voorlezen. De huisarts had gebromd dat-ie dan maar leeggezogen moest worden. En nu dit.
Mijn schrikbeeld. Mijn wormgat naar een wereld over voogdij, de arbeidsongeschiktheidsverzekering die ik niet heb, pijn, overgeven, kaal, maar boven alles de tunnel naar het beeld van mijn zoon die alleen achterblijft.
Na de echo komen de mammografieën, van drie kanten en met contrastvloeistof, de radioloog blijft ondertussen herhalen dat de kans op kwaadaardigheid echt heel klein is. Maar ik hoor het niet, ik ben in horrorland. Ze zijn ook zo líéf, ik vertrouw ze voor geen meter, zo aardig doen mensen alleen als ze weten dat de zorgeloosheid binnenkort voorbij is. Ik moet een week wachten op de uitslag, zeggen ze, maar nogmaals: geen zorgen.
Als ik na twee uur onderzoeken weer buiten sta, bel ik huilend een vriendin en mijn ouders. Ik haal Lukie op van school met dikke rode ogen en als hij zegt dat ik er raar uitzie, antwoord ik dat het wel hooikoorts zal zijn. Ik slaap die hele week niet. Ik vertel mijn omgeving dat ik in de piepzak zit. Dat snappen ze. We kennen allemaal iemand met borstkanker en we kennen ook allemaal iemand bij wie dat niet goed is afgelopen. ’s Nachts voel ik me voor het eerst in lange tijd eenzaam. Had ik nu maar iemand om me gerust te stellen en vast te houden. Wat gebeurt er met Lukie als het mis is? Dit is zijn allergrootste angst, hoe komt hij dat ooit te boven? Waarom kan ik dit niet parkeren tot ik de uitslag van de punctie krijg? Ademen, Carolien, zeg ik hardop, maar dat lukt niet.
Precies een week later maakt nog zo’n kort zinnetje een eind aan de ellende: “Alle uitslagen zijn goed.” Het is een fybroadenoom – een bindweefselknobbeltje. Ik loop door de wachtkamer weer naar buiten, duizend kilo lichter maar met mijn ogen op de grond gericht. Daar zitten ze, de vrouwen met pruiken, hoeden en sjaaltjes. Met spanning rond de kaken starend naar de deur of gang, alsof goed nieuws zo is af te dwingen. Zo zat ik tien minuten geleden ook, maar nu is er een waterscheiding tussen ons. Ik schaam me opeens voor mijn stress, voor mijn onterechte paniek, voor deze column. Niemand zou dit moeten meemaken. Thuis doe ik het enige wat ik kan doen: ik trek Luuk op schoot en denk: ik hou van jou.
'Ouders waren boos dat ik de 'daders' min of meer herkenbaar in beeld had gebracht'

















