De zomervakantie lijkt zorgeloos, maar voor sommige meisjes schuilt er gevaar: zij lopen risico op meisjesbesnijdenis tijdens een reis naar het land van herkomst.
Zo dacht Lubna Abdul, die opgroeide in Soedan, dat ze naar een meisjesfeest ging.
Over meisjesbesnijdenis
Lubna kreeg die dag cadeautjes en zakgeld, maar de werkelijkheid bleek heel anders: zonder verdoving werd ze besneden.
Bij meisjesbesnijdenis, ook wel vrouwelijke genitale verminking genoemd, worden de vrouwelijke geslachtsdelen geheel of gedeeltelijk verwijderd of beschadigd.
De Wereldgezondheidsorganisatie (WHO) onderscheidt verschillende vormen, van het verwijderen van een deel van de clitoris tot het gedeeltelijk of volledig dichtmaken van de vaginale opening. In Nederland is dit strikt verboden, ook als het in het buitenland gebeurt. Toch lopen naar schatting 2.600 meisjes in Nederland direct risico.
De ingreep komt vooral voor in verschillende landen in Afrika, waaronder Somalië, Soedan, Mali, Egypte en Eritrea.
Jarenlang zweeg Abdul over wat haar was overkomen. Pas nadat ze dertig jaar geleden naar Nederland kwam, vertelde ze haar verhaal voor het eerst aan een hulpverlener.
“Het kwam allemaal terug: de geur, het gezicht van de vrouw die het uitvoerde, mijn tante die me vasthield. Het is puur cultuur. Je móét meedoen”, vertelt ze aan de NOS.
De overheid
Niet alleen Abdul trekt aan de bel. Ook Annemarie Middelburg, onderzoeker gespecialiseerd in internationaal recht en vrouwenrechten, maakt zich zorgen over de bescherming van meisjes. Volgens haar moet de overheid meer doen om te voorkomen dat meisjes tijdens reizen naar het buitenland worden besneden.
“In het vorige regeerakkoord van Rutte IV stond al dat de aanpak tekortschiet. Nu zijn we twee zomers verder, waarin meisjes niet alleen risico liepen, maar ook daadwerkelijk zijn besneden.”
Wetgeving
Middelburg ziet een voorbeeld in het Verenigd Koninkrijk, waar rechters beschermingsbevelen kunnen opleggen om meisjes te behoeden voor besnijdenis.
Overtreding kan daar leiden tot maximaal vijf jaar cel. Het ministerie van Justitie en Veiligheid onderzoekt of een vergelijkbare aanpak ook in Nederland mogelijk is en verwacht begin 2027 met een reactie te komen.