Het is al twaalfhonderd dagen te grijs, te miezerig en te koud om buiten iets nuttigs te doen. Door Luuks “Ik weet niet wat ik moet doe-hoe-hoen” heb ik ook dit weekend nog net geen lus in een stuk touw gelegd.
Er rest niets anders dan de ultieme knieval: het tropisch zwemparadijs. Die oorden zijn in alle opzichten een totale verschrikking dankzij de combinatie van die gekmakende chloorlucht en vooral veel en veel en véél te veel andere mensen, die net als de rest proberen om er het beste van te maken.
Het is de rug vol ontstoken acne voor me, waarvan ik weet dat die na de ribbelige glijbaan schoon gescrubd is – alleen moet ik er dan dus nog af, dwars door die achtergebleven prut.
Het zijn de kleine kinderen die in het bubbelbad rondplonzen en hun voeten afzetten in jouw maag voor de perfecte snoekduik, terwijl die plek volgens stilzwijgende afspraak de enige is waar volwassenen even kunnen contempleren waarom ze ja hebben gezegd tegen deze hel.
De mensen die in de rij altijd net te dicht achter je staan, omdat ze denken dat het dan sneller gaat.
De gezinnen die drie tafels aan elkaar schuiven, daarop twaalf tassen eten uitladen en een vreterij beginnen waarop de Romeinen nog jaloers zouden zijn. Ik zag eens een vrouw een bak openmaken met daarin minstens twintig gebakken XL-schnitzels, die haar drie kinderen staand in de golfslag een voor een op knaagden.
Sowieso mensen die de hele dag een stoel bezet houden met een handdoek en er nul keer zitten, of onder de schaarse douches een heel uitgebreid wasritueel uitvoeren terwijl een kudde wachtenden staat te vernikkelen.
Dat ik altijd vergeet mijn benen te sluiten bij de landing, waardoor ik na afloop, meestal in de auto, opeens denk: verrek, heb ik nou in mijn broek gepiest?
De volwassen mannen die hun neus in de vingers snuiten en die dan ‘afvegen’ in het water.
Mijn ruggengraat die ontveld, maar wel geïmpregneerd met andermans pus, mee naar huis moet.
Onze handdoeken die met één hoek in een plas blijken te liggen.
De tieners die keihard met een bal overgooien terwijl dat net het stukje is waar je wél drie meter zou kunnen zwemmen zonder tegen iemand anders aan te botsen.
En dat alles hierboven áltijd gebeurt, met als laatste garantie dat ik na afloop mijn klamme maar wanhopig uitgedroogde vel plus dat van mijn kind weer in kleren moet steken die in de tussentijd altijd gekrompen lijken, hartstochtelijk niet lettend op andermans haren die meeliften op mijn sok of gevallen onderbroek, onderwijl bijna kotsend van de hitte die juist ontbrak in het tochtige indoorparadijs.
Ik zou er bijna voor thuisblijven, ware het niet dat terwijl warm water het kruis van mijn lichtgrijze joggingbroek donker kleurt, Luuk de hele terugweg straalt dat hij de beste dag ooit heeft gehad. De een z’n hel is de ander z’n hemel. En dan moet de zomer – te heet, te veel zon, te droog – nog komen.
'Ik zie Luuk verkruimelen onder al dat zelfverzekerde geweld van zijn vriend'















































