“Jaaa, ik kan dit goed!” Op de stoep voor de uitgang van school beklimt een knaapje van twee, drie al een paar minuten de helling bij de fietsenstalling. Elke keer als hij boven is, draait hij zich om naar de meute wachtende ouders en herhaalt zijn kreet. Hij is de koning van de berg, de klimkampioen van zijn micro-universum en wij zijn z’n publiek.
De eerste paar keer wordt hij nog toegejuicht, daarna verstomt ons enthousiasme en richt iedereen zich weer op het eigen telefoonscherm. Zo veel herhaling is alleen op die leeftijd leuk, maar nog meer dan dat gaat overmatig zelfvertrouwen en borstklopperij vervelen. Wat zeg ik: het wordt gewoon irritant.
Het mooie van heel jong zijn is dat elke scheet die je laat (bij mij thuis ook letterlijk) een prestatie van jewelste is. “Die was hard, hè?!”, schalt mijn zoon terwijl hij de lucht achter zijn kont mijn kant op duwt. “Stinkt-ie goed?” Over zijn andere prestaties is hij minder mondig, maar ik krijg hier zat vriendjes en vriendinnetjes thuis die hun gedachten en acties breed uitmeten. Eentje wil ‘filmbedenker’ worden en heeft zijn scenario gisteren uit de doeken gedaan: iets met veel dieren die allemaal doodgaan, “maar niet met heel veel bloed”. Aan zijn rammelende verhaal is geen touw vast te knopen en het gáát maar door, zelf voorspelt hij een kaskraker. Een geweldig joch, daar niet van, maar ik moet op mijn tong bijten om niet heel hard “In godsnaam, stop!” te roepen.
Dan is er de vriend die bij elk spelonderdeel van de middag aankondigt dat hij er “heel goed in is” en overal een antwoord op weet. Fijn voor hem, maar ik zie Luuk steeds verkruimelen onder al dat zelfverzekerde geweld van zijn vriend, je hebt nu eenmaal twee soorten kinderen.
Ergens is het jammer dat we naarmate we ouder worden, dat rotsvaste geloof in ons kunnen grotendeels verliezen. Als ik naar die klimmende peuter kijk, naar die grote grijns en vuistjes in de lucht, dan zie ik vooral een fantastisch gevoel. Wat briljant als je de wereld kan zien als een plek die met je meewerkt. Een plek waarin je dingen krijgt uitgedeeld, in plaats van dat ze worden afgepakt of weggewuifd. Dat je overal binnenkomt met het gevoel een winnaar te zijn en dat dat ook terecht is, maakt niet uit wat anderen van je vinden.
Voor de meesten zit dat er niet in. Jij, ik: we leren gaandeweg dat life een behoorlijke bitch kan zijn. Dat sommige vakken op school een blinde vlek opwekken. Dat je soms verlaten wordt of iemand verliest, geen balgevoel blijkt te hebben, niet die ene baan aankan. Dat niet iedereen te vertrouwen is, roddelen menseigen blijkt, je soms getild wordt en jouw humor niet per se die van de rest is.
Geeft niks, van wat weerstand en een paar mentale klappen verandert ego in empathie, dus daarmee doe je je omgeving en jezelf een groot plezier. Narcisten genoeg, nietwaar, maar wel zonde dat het jaren kan duren voor je de juist balans vindt en die weg kan nog hobbelig zijn ook.
Soms steek je als volwassene nog wel wat op van dat basale kindergedrag en is het helemaal zo slecht nog niet om op een matige dag die peuter in jezelf aan te boren. Dus als ik de rijst ’s avonds zowaar een keer beetgaar weet te koken, denk ik aan dat jochie en zeg hardop tegen de pan: “Jaaa, dit kan ik goed.” Niemand die me hoort en tóch voelt het lekker.
'Ook zonder vader heeft hij gelukkig nog wel een opa en oma. Ook al zien we elkaar te weinig'















































