“Ik heb het zo koud, mama. En ik heb geen honger en wel heel veel snot.” Nee. Neeee! Thermometer. Bidden, want kom óp, de vakantie nadert ook al, met een paar studiedagen eraan vast geplakt, er wacht nog een stapel werk en belangrijker: we gaan een paar dagen naar Londen. Uiteraard vond ik bij het boeken een annuleringsverzekering zonde van het geld.
Piep piep: 37,4°C. “Nou Luuk, dat valt mee, je kunt gewoon naar school.”
Nu is het zaak – voor hem dan – om de boel flink aan te zetten. Ik ben ook kind geweest, ik ken alle trucs, van praten met een kraakstem tot De Ultieme Getergde Blik. Mijn moeder trapte daar zelden in, mijn lichaamstemperatuur was leidend en zij zou mij met 37,4, een welgemeend succes en extra strak omgebonden sjaal om gewoon naar school hebben gestuurd. Een eerdere poging haar te overtuigen door het puntje van de thermometer tegen de lamp te houden (resultaat: 49,3°C) was jammerlijk mislukt. Sindsdien was haar vertrouwen in mijn klachten wankel.
Ik ben niet mijn moeder, ik ben zwak. Want 37,4: is dat niet een soort van verhoging? Hij kijkt écht zielig en ik heb godzijdank geen kind dat van september tot april snot lekt, dus het kan zijn dat die vieze bovenlip de griep aankondigt. Aan de andere kant: ik moet vandaag met de auto naar de garage, de hond uitlaten, deze column schrijven, boodschappen doen, een leenlaptop inleveren, weer de hond uitlaten en tachtig mailtjes beantwoorden. Dat lukt niet met een kind dat om de haverklap kermt dat hij hoofdpijn heeft, en niks wil drinken maar toch wel en daarna bij de Jumbo de hele versafdeling onder niest. Bovendien zit hij nu gewoon zijn ontbijt te eten, zie je wel, hij gaat gewoon, ik heb zelf ook nooit een trauma overgehouden aan mijn moeders duw in de rug.
“Wil je me nog een keer tempen?”, vraagt hij als ik net zijn schooltas wil inpakken.
“Ja, maar geen koorts is wel school, deal?”, zeg ik.
Als ik naar hem toeloop, voel ik de hitte al van zijn lijfje slaan. Piep piep: 38,3°C.
“Zie je wel”, piept hij, al zie ik een tevreden lachje langs zijn mondhoeken schieten.
Die duurt maar even, dat herinner ik me ook nog van vroeger: het hoera-gevoel omdat je echt ziek bent en dus niet naar school hoeft, vlak daarna gevolgd door je ellendig voelen omdat je – o ja – dus echt ziek bent.
Luuk ligt nu onder zes dekens op de bank, zijn lachje is allang verdwenen. Zo koud. Zo ellendig. De auto, laptop en mailtjes moeten wachten, bij dezen de column en de hond zal ik binnen vermaken. Alleen die boodschappen moeten. Luuk gaat maar even mee, hij is vast niet de enige zieke in de supermarkt. Goed wassen dus, die appels, je weet maar nooit wie er boven de Elstars een hoestbui heeft gehad.
Ho wacht, ik word geroepen.
“Mama, ik heb honger!”
'Sinds eergisteren heb ik zeker veertig vriendschapsverzoeken gekregen van wildvreemde mannen'















































