Mijn accountant moppert. Ik heb hem een schoenendoos vol bonnen gegeven, maar hij mist kassabonnen van het tankstation. “Je gaat me echt niet vertellen dat je de hele maand juli niet hebt getankt, dame.”
Hij knijpt zijn ogen tot spleetjes. Ik speel met de gouden hanger om mijn hals en word warm vanbinnen. Hij heeft gelijk. Ik heb wel getankt. Het was alleen niet in Nederland.
Het is de laatste week van juni als ik word geboekt door een nieuwe klant. Hij woont in een gehucht in België en heeft me gevraagd met de auto te komen, omdat hij buiten het bereik van het openbaar vervoer woont. De paar uur reistijd zal hij vergoeden. De man blijkt aardig en zonder vreemde wensen, en de drie uur dat ik ben uitgenodigd verstrijken aangenaam.
Terug naar huis waait de wind door mijn haren. Het zonnetje brandt en de dag is nog jong. Ik krijg zin in een Belgisch biertje. En een portie waterzooi. Ik neem gas terug en stop in een charmant Belgisch stadje met donkere keitjes op de straten. Het leven lacht me toe.
Onder de enorme parasol schuift uit het niets een man aan. Hij zegt al een poosje naar me te kijken, en we raken aan de praat. Hij is charmant, superaantrekkelijk en heeft een aura van succes om zich heen. Wanneer ik wil opstaan, zegt hij: “Ga met me mee. Laat ons gek doen.” Zijn accent smelt in mijn oren als de zachte nasmaak van de aardbeien die ik even daarvoor weglepelde. Ik lach, maar hij is serieus. “Kom”, zegt hij. Zijn daadkracht en zelfvertrouwen breken me. Hij is te leuk. En ik ben single. Even later rijden we schemerend Oostende binnen. Ik sluit de kap van mijn auto en bel mijn werk.
De volgende dag trekken we door Frankrijk. Dagenlang rijden we rond op gevoel. Af en toe stoppen we bij een benzinestation waar hij mijn auto voltankt en ik ijsjes uitzoek. We slapen in kasteeltjes, dineren in restaurants die hij vindt in de Michelingids en bezoeken af en toe een boerenmarkt of dorpsfeest. Het weer blijft prachtig. We zakken af naar Spanje. Hij koopt een bikini voor me en we eten visjes op het strand.
Vier weken duurt deze coup de foudre: als een bliksemflits is hij er, als een bliksemflits verdwijnt hij weer. We hebben gedronken als Bacchus, geleefd als goden en genoten als kinderen.
“Ik moet gaan”, zegt hij de een na laatste dag van juli, spelend met zijn tenen in het warme zand. Naast onze tafel staat de lege champagnefles omgekeerd in de ijsemmer. Onze gezichten zijn gebruind, de wallen onder onze ogen weggeslapen. “Ik begrijp het”, antwoord ik, en ik meen het. De volgende ochtend is hij verdwenen. Op het nachtkastje laat hij een prachtig gouden medaillon achter, gevuld met Spaans zand. Ik heb hem nooit om bonnetjes gevraagd.
Dit artikel verscheen eerder in LINDA.
Het beste van LINDA. direct in je mail? Meld je aan voor onze nieuwsbrief.
High-class escort Amber: 'Zijn hand glijdt tussen mijn dijen, hij heeft te lange nagels'

















