Sinds het aanbreken van de lente is iedereen in een beter humeur, op een paar dagen na want dan gaat de zomertijd in en wie dat fijn vindt heeft geen kinderen.
Die van mij meldt in ieder geval steeds hoe laat het écht is en dat hij daarom nog lang niet naar bed hoeft. Maar verder niets dan prettig nieuws, qua knoppen in de bomen en soms zonder jas naar buiten, behalve dan dat een nieuw seizoen ook oude fobieën ontsluit.
Padden bijvoorbeeld, niet mijn gruwel maar wel die van een vriendin, sinds deze toch onschadelijke dieren zich weer opgewekt uit de aarde wurmen om hun stramme poten te strekken, durft ze haar tuin niet meer in. Toen ik als grapje een dennenappel in mijn gesloten handen hield en zei: ‘Kijk’, rende ze gillend weg en nu spreken we elkaar even niet. Jammer, want ik zag van de week een muis op straat, dat is dan weer mijn makke, waardoor ik me nu als een schrikachtig hert door het leven beweeg. Die lijers kunnen immers zo tevoorschijn komen, expres als ik in de buurt ben want zo zijn ze en aangezien onze kat alleen nog maar slaapt ben ik zelfs in huis niet meer veilig.
Tot slot had mijn zoon deze week zijn boekenbeurt, ook al zo’n lenteverschijnsel. Ik ben bang dat hij tot de groep Nederlanders behoort met een spreken-in-het-openbaar-angst (glossofobie heet dat, jongens, op nummer 4 in het angstenlijstje mocht het voorbij komen bij Triviant). Bevend naar school, grauw de trap op, een paar uur later kwam hij stralend naar buiten, toch gelukt en waar hebben we het over?
Nee, dan hebben die vriendin, ondergetekende en andere volwassenen met ‘lentekriebels’ het zwaarder. Onze fobieën zijn onderdeel geworden van ons DNA. Dat met die muizen begon in Amsterdam, toen er een paar gezellig bij me op de bank kwamen zitten in een overigens brandschoon appartement. Ze achtervolgden me bij elke verhuizing, toen ik eindelijk een vaste kamer had gevonden en er eentje vanaf de gordijnroede naar me zat te staren, heb ik gillend mijn spullen in een tas gegooid en de huur opgezegd.
Ik heb al heel lang geen muizen meer, bij elke verhuizing zorg ik dat zelfs de kleintje gaatjes zijn dicht gekit. Mocht er een oorlog met gifgas komen, dan zit je bij mij thuis veilig wil ik maar zeggen. Kikkers en padden doen natuurlijk ook helemaal niks, maar leg dat maar eens uit aan iemand die nog liever haar drie zoons verkoopt dan dat ze een uur met zo’n ding in een kartonnen doos moet zitten. Er zit geen redelijkheid in, ze houdt echt heel veel van haar kinderen, maar er zijn simpelweg grenzen.
Mijn tweede fobie, eieren (lang verhaal), kwam ook opeens terug. Iedereen in mijn omgeving weet dat ze in mijn buurt geen uitsmijter moeten bestellen en ik woon niet meer thuis, dus dat zondagse eitje van mijn ouders hoef ik ook niet meer aan de andere kant van de keukendeur te doorstaan. Maar ik las weer eens De Vliegeraar, nu het langer licht is val ik niet meer om acht uur in slaap, en ja hoor: ze eten in Afghanistan kennelijk graag gekookte eieren, zo uit het vuistje. Was ik vergeten, dus walgend heb ik het boek opzij gelegd want nogmaals: er zijn grenzen.
Het is bijna zomer, op naar de muggen.
'Mijn schrikbeeld: een wereld van pijn, overgeven, kaal, maar boven alles het beeld van mijn zoon die alleen achterblijft'















































