De krekels doen hun ding. De zon staat hoog. Het zwembadwater reflecteert het heldere blauw van de lucht. Mijn zoon neemt een aanloop en doet een bommetje vanaf de kant.
Mijn dochter ligt in het water en moedigt hem aan met een gil die ze een paar Franse slaapdorpen verder waarschijnlijk ook nog kunnen horen. Ik schreeuwfluister vanaf de kant: “Jongens, niet zo wild. Wat HAD ik nou gezegd!”
Het is bedrukt en bloedheet. We zitten bij het zwembad vlakbij ons huisje. Het bad hoort eigenlijk bij een camping, maar is uit goedertierenheid ook opengesteld voor verhitte toeristen en bewoners uit de buurt. Het is niet veel – een klein rechthoekig zwembad, een pierenbad, wat banken en parasols – maar alles wat een mens op zoek naar verkoeling maar nodig kan hebben.
'Soms voel ik me als ouder onzeker of we het wel goed genoeg doen'
We koesteren dit bescheiden badje dan ook als een oase waarin we te gast zijn. En ik, immer bezig met de vraag of ik wel de beste, braafste burger ben, vind het dan ook reuze belangrijk dat we ons als gasten gedragen, nondeju. Bovendien lees ik altijd in artikelen dat Franse kinderen zo stil en beleefd zijn. Dit in tegenstelling tot het luidruchtige Nederlandse gespuis dat hier alle vakantiebestemmingen bevolkt.
Zo vind ik mij deze middag terug op een van de bankjes naast het zwembad. Terwijl ik vanaf de kant probeer te zorgen dat mijn spetterende kinderen de andere aanwezigen niet al te veel overlast bezorgen. “Kun je niet zo hard gillen? Er zijn hier ook andere mensen.” “Niet een bommetje doen, vlak naast die oudere mevrouw. Zij wil haar haren niet natmaken.”
“Supermooi dat je de potloodsprong al kan, maar kun je dat volgende keer niet bijna OP die meneer doen die baantjes aan het trekken is?” “Schat, wat zei ik nou net: kun je wat minder hard gillen?” Dappere pogingen, dat moet gezegd. Maar als je weleens getuige bent geweest van de chemische reactie tussen zwembadwater en kinderen, dan weet jij ook: vol-ko-men zinloos.
'Ik ga trouwen. En dat kun je zien als een uitgesproken conservatieve daad (of juist als een radicale)'
Net als ik op dat bankje zit te bedenken of ik er beter aan doe om het allemaal maar gewoon te laten of juist harder in te grijpen, komen er een aantal Franse gezinnen kinderen van die beleefde Franse kinderen aanlopen, met exemplaren in alle leeftijden. Ze knikken me beleefd toe, douchen zich netjes eerst af, zetten hun spullen neer bij een beschikbare parasol, springen het water in en ontketenen daar een chaos waar de bestorming van de Bastille bij verbleekt. Het kalme water waarin ik mijn kinderen even geleden nog tot stilte had gemaand, verandert binnen een paar seconden in een woest spetterend slagveld dat nog het meest doet denken aan die filmpjes van een piranha-aanval.
Twee zussen klimmen op de schouders van hun broers voor een soort gladiatorengevecht. Twee andere zussen doen tikkertje en springen hierbij als een soort op hol geslagen Duracel-dolfijntjes door het water. Bij iedere sprong laten ze een hoog piepgeluid horen dat misschien voor sonar moet doorgaan. Vier jongens beginnen een onnavolgbare vorm van waterpolo, waarbij ballen hard en van dichtbij in elkaars gezicht worden gegooid.
Een vader slingert gierend een kind van zich af. Een moeder organiseert voor twee kirrende kleuters een wedstrijdje wie het hardst met de beentjes kan trappelen. Ondertussen proberen mijn kinderen verwoed de suizende ballen en rondzwiepende ledematen te ontwijken, als dobberende schipbreukelingen in het oog van de storm. Mon dieu. Quel carnage!
'Hij vertelde dat zijn vrouw het lastig vond hun kinderen achter te laten bij de oppas, zelf had-ie daar geen last van'
Terwijl ik me afvraag of er een manier is om meteen ons boeltje te pakken, zonder dat ik hiermee een vijandig statement maak richting de lokale bevolking, begint het boven mijn hoofd te rommelen. In de betrekkende lucht dient het onweer zich aan. Braaf roep ik mijn kinderen naar de kant, droog ze af en blijf even aarzelend staan kijken naar de gezinnen die geen enkele aanstalte maken om uit het water te gaan.
Weer vraag ik me af of dit nou zo’n moment was om het maar te laten of juist in te grijpen. Safety first besluit ik. En dus loop ik naar een vader toe die op de kant staat. Ik wijs omhoog naar de grijze wolken boven ons, waar af en toe een vaag gerommel uit komt en zeg in het beste Frans dat ik in noodsituaties blijkbaar te bieden heb: “Eh monsieur? Il va bliksem.” De taal van de elementen blijkt gelukkig universeel. De monsieur knikt begrijpend van mij naar de rommelende donkere lucht en haalt zijn schouders op, om vervolgens met een plons tussen zijn spetterende familieleden te springen.
We rijden naar huis, boven ons hoofd waait het onweer over. Thuis vraagt mijn vriend wat we allemaal hebben beleefd. Als een soldaat die verslag doet aan het thuisfront vertel ik hem over de zwembadbestorming, het onweer en de Fransman die zijn schouders ophaalde. Ik kan weer eens niet laten me af te vragen of ik wel de beste, braafste burger ben geweest. Wat als het niet was overgewaaid? Wat als het echt gevaarlijk was geworden? Had ik niet harder in moeten grijpen? “Schat, je hebt “il va bliksem’ gezegd”, zegt mijn vriend. “Meer kan een mens niet doen.”
Het beste van LINDA. direct in je mail? Meld je aan voor onze nieuwsbrief.
'Hij vertelde dat zijn vrouw het lastig vond hun kinderen achter te laten bij de oppas, zelf had-ie daar geen last van'















































