Ik rook. Als een schoorsteen. Ik heb in de afgelopen twintig jaar alles geprobeerd om ervan af te komen: kauwgom, pleisters, hypnose, medicijnen, acupunctuur, laser, op karakter, tijdens griep, visualiseren hoe mijn zoon straks ook nog zonder zijn moeder moet. Niks heeft geholpen, alleen een zwangerschap, maar dat is op meerdere fronten geen oplossing meer.
Via de huisarts ben ik vandaag bij mijn laatste strohalm aangekomen; een zevenweekse cursus in het ziekenhuis, met een groepje lotgenoten. We herkennen elkaar in de centrale hal aan ons gekuch. De enige die er gezond uitziet is de juf – blond, in de make-up, vriendelijk – een paar staan buiten nog te paffen.
We worden meegenomen naar een bijgebouw, het is er stil en steriel, we moeten met de lift naar de tweede verdieping. “Nu passen we er nog met z’n allen in, straks zijn we moddervet”, zucht een vrouw. Voorzichtig gegrinnik, de eerste blikken over en weer, we kennen elkaar nog niet maar o, wat kennen we elkaar al goed. Dezelfde schaamte en zelfhaat, we stinken en hoesten, we geven bakken met geld uit aan sneller doodgaan, geen ziel rookt hier voor z’n lol maar kijk ons hier staan, de stakkers.
De voorstelronde is ook geen lolletje. COPD, hartproblemen, astmatische bronchitis. Niemand zit onder de dertig sigaretten per dag – behalve eentje, je hóórt de rest denken: pfff, amateur. Er worden grapjes gemaakt, we willen nu al samen in een appgroep, de opluchting dat we pas in week drie echt gaan stoppen met roken is enorm.
Iedereen meldt ferm dat het deze keer wél gaat lukken en probeert te verbergen hoe weinig ze er zelf in geloven. We veren op als juf zegt dat van het roken afkomen lastiger is dan stoppen met heroïne en klappen in elkaar als een jonge moeder vertelt dat ze een aangeboren, ernstige hartafwijking heeft en toch maar blijft opsteken. Arme jij, zenden we haar in stilte toe, arme jij die we zo goed snappen.
Verder is het lollig om te zien dat elke groep mensen die je bij elkaar zet, ongeacht afkomst, sociale klasse of geslacht, dezelfde types bevat. Degene die alle aandacht naar zich toetrekt. De grappenmaker (bovengetekende, helaas). Die ene die niks durft te zeggen. De optimist, de pessimist en degene die steeds terug wil komen op hetzelfde punt. De middenmoter en de bruggenbouwer.
En degene die onbedoeld wél grappig is, in dit geval een vrouw die ondanks haar chronische darmontstekingen de voordelen van roken blijft inzien en alle bespaartips van haar buurman opzuigt alsof het ’t laatste trekje van haar leven is (hij rookt nu sigaren, na elke twee trekjes zet-ie ‘m in het gaatje van een moersleutel, zo gaat dat ding langer mee, kijk dit is het merk, kosten: slechts tien euro per dag!). Zij straalt, hij kijkt alsof hij toch nog iets heeft bijgedragen aan de maatschappij, wij gniffelen.
Met nog een kwartier te gaan vraag ik of iedereen “de laatste vragen kort wil houden, want volgens mij wil iedereen nu wel roken, toch?” Een grapje, maar in elk geintje schuilt een seintje en de rest lacht schuldig. We nemen de lift naar beneden, zeggen allemaal dat we er zin in hebben, dat we er zelfs wel in geloven.
Buiten steken we allemaal meteen een sigaret op.
'Moord past niet bij me, maar nu zit ik dus in een spagaat'















































