Leon Verdonschot legt voor LINDA.nl wekelijks iemand het vuur na aan de schenen. Deze week is actrice, regisseuse en schrijfster Margôt Ros (57) aan de beurt. Vanaf 15 december staat ze in het Eindhovense Parktheater met haar soloshow ‘Brabantse Nachten Zijn Lang’.
Je ging in het Parktheater ‘ooit voor het eerst het podium op’, stond in een bericht over je show. Wanneer was dat?
“Toen ik op de havo zat en meedeed met de theaterklassen van de lerarenopleiding, omdat ik de enige op de havo was die iets met theater wilde doen. Ik mocht figureren in een act van twee jongens. Met een grote ladder moest ik overlopen. Vlak voordat ik op moest, kreeg ik een enorme hoestbui, waarschijnlijk van de zenuwen. Toen zag ik een flesje staan in de overtuiging dat er water in zat, maar dat bleek het bier van de technicus, waardoor ik nóg harder moest hoesten. En toch was het heel bijzonder en gaaf, en dacht ik: dit is wat ik wil.”
Je ouders hadden een kruidenierszaak. Van het type dat inmiddels is overgenomen door de grote ketens?
“Ja, dat type. Eerst een kleine zaak met vooral groenten en fruit, met een middenpad met blikjes groenten en vis en pakken koffie. Uiteindelijk kwam toen de keten Végé, waar ze zich bij hebben aangesloten, omdat het simpelweg kiezen of delen werd: meedoen, of weggeconcurreerd worden.”
Het klinkt een beetje zoals de avondwinkels van deze tijd.
“Ja, ik kan daar om die reden wel eens warm van worden, van die avondwinkels. Al zien sommige er wel heel sneu uit. Ik kan ook aanslaan op heel mooie, goed verzorgde winkels. Dan merk ik nog steeds dat ik een middenstandskind ben.”
Heb je ook een kruideniersmentaliteit?
“Niet als het gaat om gierigheid. Wel als het gaat om arbeidsethos.”
Wanneer ontstond het idee voor ‘Brabantse Nachten Zijn Lang’?
“In coronatijd zag ik de voorstelling Mijn Vrede van Marcel Hensema. Die vond ik echt prachtig. De essentie van theater: je verhaal delen. Ik realiseerde me toen ook, na al die jaren televisie, hoe belangrijk theater voor me is, en hoe blij ik word van op het toneel staan. Ik dacht toen: ik wil graag mijn verhaal vertellen, maar ik vind het raar om dat in Amsterdam te doen. Ik wil met dat verhaal ook terug naar de basis. Je gaat in de voorstelling met mij samen door mijn Brabantse nachten heen.”
Een beetje als artiesten die als Artist in Residence een tijd lang in Las Vegas spelen?
“Haha! Ja, ik sta in het Vegas van Brabant. Ons moeder vroeg ook: hóélang sta je daar? Wie gaan daar allemaal naartoe komen?”
Je hebt vijf jaar geleden een ongeval gehad, bent vervolgens gerevalideerd, en hebt samen met je partner Jeroen Kleijne een boek over niet aangeboren hersenletsel geschreven: ‘Hersenschorsing’. Daarna heb je op de Parade gestaan. Was dat het opstapje naar deze show?
“Ik ben nog aan het revalideren, daar hoorde die show eigenlijk ook bij. Je moet alles heel langzaam opbouwen: je hoofd is een heel raar deel van je lijf om te revalideren, dat is niet zomaar gepiept. Het feit dat ik weer op het podium ga staan, en dan ook nog eens voor het eerst in mijn leven in mijn eentje, behoefde enige opbouw, hoe leuk ik het ook vind. Want mijn lichaam gaat daar sowieso op reageren. Dus die Parade-voorstelling in Den Haag en Amsterdam was inderdaad ook een manier om wat meer bodem onder mijn pootjes te krijgen.”
Hoe werkt het dan nu? Hoeveel prikkels kun je inmiddels aan?
“Het werkt zo: als ik het voor het zeggen heb, gaat de trein één kant op. Ik kan de prikkels aan van mijn eigen voorstelling en publiek als ik met oefeningen mijn lichaam en hersenen in een goede conditie houd. Maar als in de zaal ernaast opeens geboord zou worden, gaat het mis – zoiets. Ik heb ontzettend veel gelezen over dit onderwerp en heel veel gepraat met artsen en beleidsmakers die veel meer weten over hersenen dan ik. Daar heb ik veel van geleerd. Het brein en wat daarin gebeurt is nog steeds een enorme uitdaging voor de zorg; we weten meer over het universum dan over ons eigen brein.”
Denk je nog wel eens terug aan Marjan de Winter?
“Hahaha! Het is dat iemand een tijd geleden iets over haar stuurde via Instagram, anders had ik nu niet eens geweten waar je het over hebt. Je bent eigenlijk nooit bezig met de naam van je rol, al helemaal niet de achternaam. Die zeg je nooit.”
Het was je eerste rol. In ‘Goede Tijden Slechte Tijden’, in vele opzichten een baanbrekende Nederlandse serie. Ben je trots dat je daaraan hebt bijdragen?
“Jezus, wat een vraag. Haha! Nee, daar heb ik geen gevoel bij. Ik vind het wel bijzonder dat het de makers gelukt is een serie te maken die zó lang meegaat. En weet je waar ik vooral blij mee was? Dat ik werk had. De teneur was toen dat het castingbureau je wel wilde inschrijven, maar dan moet je wel een paar weken meedoen in GTST. Voor mij was heel nieuw dat ze een meercameraregie hadden, en voor repeteren was geen tijd.”
“Ik herinner me nog dat in mijn tekst stond ‘Sorry dat ik te laat ben’. Ik stelde daar allemaal vragen over die ik tijdens mijn opleiding had geleerd: waar komt die zin vandaan? Waarom is ze te laat? Zit dat in haar karakter? Ik werd aangekeken alsof ik van Mars kwam, en kreeg het antwoord: ‘Weet ik het, gewoon zéggen.’ Ik heb er maar een paar weken in gezeten, maar het was echt leuk om te doen. Het was ook de tijd waarin je, als je een slechterik speelde, in elkaar geslagen kon worden als je de studio uitkwam. Mensen waren op straat echt boos, ook op mij. Ik heb echt de zin ‘Jij gaat Arnie toch niet krijgen!’ naar mijn hoofd gekregen. Mensen hadden grote emoties bij die serie.”
Het is maar goed dat dat niet meer zo was toen je met Maike Meijer Toren C maakte. Dat mensen die personages níét voor echt aanzagen.
“Stel je voor, zeg. Dan was ik nergens meer binnengekomen, omdat mensen alleen al bang zouden zijn dat ik er ging poepen.”
Wat is je eerste gevoel bij het terugdenken aan die serie?
“Dat het geweldig is dat we zoiets hebben mogen maken, vooral. Dat we al die types uit de kast hebben mogen trekken. We hadden het echt nog wel tig jaar kunnen doen, als we niet de drang hadden gehad om onszelf weer opnieuw uit te vinden. Maar aan de ideeën lag het zeker niet.”
Spelen je ouders een grote rol in je voorstelling?
“Mijn vader heeft zeker een grote rol in de voorstelling, al heeft hij als opvoeder niet veel betekend in mijn leven. De laatste maanden van zijn leven, toen hij het hospice inging, heeft hij echt gevíérd. Hij is met een kratje bier het hospice ingegaan, letterlijk. Dat kratje heeft een belangrijke rol in mijn voorstelling. Ik ben over hospices echt anders gaan denken. Ik dacht altijd: verschrikkelijk, zo’n sterfhuis. Maar ze doen er echt alles om jou op een zo mooi mogelijke manier langzaam afscheid te laten nemen van het leven. Heel veel mensen leven daar op, omdat er opeens ruimte is voor een ander soort aandacht dan óverleven.”

Foto: Bob Bronshoff















