Luuk begint hier eindelijk te wortelen. En, hoe leuk is het plattelandsleven nog als hij een puber is?
Het is Pinksteren en al drie dagen gaan al onze gesprekken over ezels. Dat opa jarig is geweest en we hem een ezel kunnen geven. Hoe we ze later gaan noemen als ik eindelijk die boerderij heb gekocht. Dat ze echt héél lief en héél mooi en héél schattig zijn.
Nu rijden we in de Achterhoek, door dorpen als Vorden (‘Vorden heeft alles!’) en Velswijk (‘Velswijk bruist!’), richting een ezelboerderij waarvan ik zeker weet dat-ie dicht is, want als ik één ding weet over de Achterhoek, dan is het dat ‘Achterhoek rust!’ op zon- en feestdagen.
De zon schijnt, de ramen van de auto zijn omlaag, mist hangt boven het gras en rondom vroege koeienpoten. Altijd als ik bij mijn ouders op bezoek ben, vraag ik me af wat ik in godsnaam in de Randstad doe. Mijn nagelriemen zijn zwart van het onkruid wieden, met de hond liep ik vanochtend vanuit de tuin het bos in. Niemand heeft haast, iedereen is aardig, het maakt niet uit dat toen we gisteren in een buurtrestaurant nacho’s uit de oven bestelden, die werden geserveerd met plakken gesmolten kaas en guacamole uit een potje.
“Zou jij hier willen wonen?” vraag ik nog maar eens aan de achterbank.
“Ja want dan kunnen we dus ezels nemen. En alpaca’s en kippen en veel meer honden,” zegt Luuk. Hij houdt bijna nog meer van dieren dan ik.
“Ga je dan niet je vriendjes missen?” Ik weet het antwoord al, want in zijn fantasie verhuizen die allemaal mee, en zijn neefje en nichtje ook, en in diezelfde droomwereld verkas ik mijn eigen vriendinnen net zo goed deze kant op, ze zullen vanzelf het stadse ontgroeien. Maar we zíjn net verhuisd, drie keer in drie jaar om precies te zijn, Luuk begint eindelijk te wortelen in Hilversum.
Bovendien: hoe leuk is het plattelandsleven nog als hij een puber is? Daar draai ik elke keer in vast.
De ezelboerderij is inderdaad dicht, maar over het hek kunnen we ze toch aaien en we wijzen elkaar aan welke we het liefst vinden. Na een half uur rijden we weer terug en komen langs kasteel Vorden, en verrek: Vorden bruist. Honderden auto’s staan in het weiland, er is een antiek- en curiosamarkt.
We staan in de rij voor kaartjes, ik kijk om me heen. Dit zouden dan mijn toekomstige buurtgenoten worden – of mijn brood, als ik op de boerderij een B&B zou beginnen. Veel ANWB-publiek, véél senioren, hier en daar stuift een kind langs. Kunnen dat vriendjes worden voor Lucas? Dan, vlak achter me, vreemde eenden in de bijt. New Balance gympen tussen het praktische schoeisel. Armbandjes in plaats van een rugzak. Ray-Ban-zonnebril in het niet grijze haar: een Westerling. Met een vriendin, denk ik, ook niet van hier.
Ik wil wegkijken, maar dan zie ik het: “Huh? Wat doe jij hier nou?!”
Een oude bekende, ik weet niet beter of ze werkt bij een hip massagehuis in Amsterdam.
“Naaah, wat doe jíj hier?” zegt ze.
“Mijn ouders wonen in Vorden.”
“Wij ook!”
Ze vertelt hoe ze hun huis in Haarlem hebben verhuurd en het gewoon hebben gedaan. Waarom niet, ze werken allebei vanuit huis, de kinderen zijn jong en het leven is hier verrukkuluk. Ik vuur vragen af, bedenk ondertussen dat ik dan alvast één iemand ken, wat gezellig en haar kinderen hebben Luuks leeftijd.
We raken elkaar kwijt in de massa, onderweg naar huis besluit ik toch even op Funda te kijken. Jezus, wat duur. Dat komt vast door al die Westerlingen die dromen van het plattelandsleven en er niet alleen over schrijven, maar het gewoon doen.
Domme ezel dat ik ben.
'Naast me ligt mijn zoon met een gebroken hart: 'Mama, je hebt tegen me gelógen''















































