De sportschool ruikt naar ambitie en goede voornemens. Daar sta ik dan, met een beginnend buikje, tussen mensen die zichzelf opnieuw lijken te hebben uitgevonden. Ze hebben trendy fitnessoutfits aan, zeulen gigantische waterflessen mee die eruitzien als gewichten en roepen na drie Bulgarian split squats al ‘dat ze zich nu zoveel energieker voelen’.
Ik sport hier al jaren. Niet dagelijks, maar ik probeer wel twee keer per week een boksles te volgen. Toch heb ik het idee dat mensen naar me kijken alsof ik ook een klassiek gevalletje ‘new year, new me’ ben. Als ik mezelf zo in de spiegel zie, snap ik dat best. Die denken natuurlijk: zó, zij heeft zich lekker laten gaan.
Het is pure ijdelheid dat ik hier nu zo mee bezig ben. Mijn lichaam is bezig een topprestatie te leveren. Ik bedoel: ik ben gewoon een compleet nieuw mens aan het bouwen. Maar toch vind ik het lastig dat mijn lijf zo verandert. Elke keer als ik naar de stijgende cijfers op de weegschaal kijk, start er een vragenvuur in mijn hoofd. Is dit de baby? Vruchtwater? Een groeiende placenta? Of toch die zak chips die ik gulzig naar binnen heb gewerkt?
In mijn puberteit is mijn relatie met eten niet altijd goed geweest. Ik wist neurotisch precies hoeveel calorieën er in een rijstwafel met pindakaas en banaan zaten, een broodje kaas of een biscuitje. En met hoeveel kilometer rennen ik die vervolgens weer kon compenseren. Jarenlang had ik er geen last meer van. Tot mijn zwangerschap. “Eet voldoende, zodat de baby goed kan groeien. Maar niet te veel hoor. Je wilt toch geen 25 kilo aankomen?”
Irene Hin: 'Waarom heeft niemand me gewaarschuwd dat een zwangerschap je tepels in formaat salamischijf kan veranderen?'
Ik weet heus wel beter. Op zwangerschapsyoga word je ermee doodgegooid: lief zijn voor jezelf, gun je lichaam de tijd. En toch hoop ik dat ik tijdens het eerste rondje met de kinderwagen hoor: “Heb jij net een kind gehad? Nou meid, dat zie je ook niet.”
De hele ‘fat or pregnant’-fase blijkt een mentaal obstakel. En als ik die fase na ongeveer twintig weken eindelijk ben ontgroeid, dient de volgende uitdaging zich alweer aan: de fysieke ongemakken die langzaam insluipen. Mijn lichaam is zwanger, maar in mijn hoofd ben ik nog steeds een fitte vrouw van 25. Toch kom ook ik inmiddels rollend mijn bed uit en wankel ik ’s nachts de trap af alsof er een natte scheet in mijn slipje zit. Voor sommigen klinkt het misschien heerlijk als een man je zware boodschappentas tilt. Maar als geëmancipeerde vrouw denk ik toch vooral: dat kan ik zelf wel.
Zal ik dat van mijn moeder hebben? Die vertikt het nog steeds om een te strak dichtgedraaid potje door mijn vader te laten openen. Al is ze er een halve dag mee bezig. Uit principe doet ze het zelf. Maar als het om mijn zwangerschap gaat, zegt ze opvallend genoeg iets anders: “Geef je er maar aan over. Het hoort erbij.”
Ik weet ook wel dat ze gelijk heeft. Toch blijft het confronterend dat ik nu in de categorie val van mensen waarvoor je opstaat in de bus. Dat besef dringt pas echt door als ik met een duidelijke buik onderweg ben naar een vriendin in New York. Op het vliegveld slingert de rij bij de grenscontrole zich in eindeloze zigzagbochten door de hal. Het doet me denken aan de Efteling: denk je er bijna te zijn, hup, weer een bocht.
‘Zeg gewoon dat je zwanger bent’, appt mijn vriendin. ‘Ik houd het wel vol’, stuur ik koppig terug. Maar na een halfuur ben ik nog geen vijf meter opgeschoten en moet ik inmiddels ontzettend nodig plassen. En dus geef ik me – eindelijk – gewonnen. “Sorry sir, can I pass the line? I’m pregnant.”
Boodschappen doe ik tegenwoordig niet meer alleen. Sporten staat op een lager pitje. En met Koningsdag schuif ik ongegeneerd een paar tompoucen naar binnen. Eentje voor mij en eentje voor mijn zoon in mijn buik. En zal ik je wat vertellen? Ze smaakten heerlijk.
Niets missen van LINDA.mini? Schrijf je in voor de wekelijkse nieuwsbrief en download de LINDA.mini-app.
Loïs (25): 'Soms schiet ik in de paniek, waarom wilde ik ook alweer een baby?'





























