Kindertherapeut Caroline Beerkens (37) – zelf moeder van drie – geeft aan de hand van haar eigen ervaringen nuchter en praktische inzichten over opvoeden. Deze week: de vriendin die voor het eerst moeder is geworden.
Ze is nog geen vijf minuten binnen als ze zich voor de derde keer verontschuldigt. “Sorry”, zegt ze, terwijl ze opnieuw in de kinderwagen kijkt. “Ik ben echt een slechte gesprekspartner geworden.”
Caroline Beerkens: 'Als mijn zoon vraagt waarom hij niet bij papa woont, val ik stil'
Ik glimlach, zeg dat het niet erg is, en meen het ook. We zitten in hetzelfde café waar we altijd zaten, aan hetzelfde tafeltje bij het raam. En toch is er iets veranderd dat ik niet meteen kan aanwijzen. Pas als de ober koffie brengt en zij half opstaat om in de wagen te kijken voor hij goed en wel is neergezet, snap ik het. Zij is er niet meer helemaal. Een deel van haar is drie maanden geleden ergens anders gebleven, in een kraamkamer in het ziekenhuis, en is nooit helemaal teruggekomen.
Ze luistert naar wat ik vertel, knikt op de juiste momenten, maar haar ogen glijden om de paar seconden weg naar het dekentje, naar zijn ademhaling, naar iets wat alleen zij lijkt te horen. Af en toe onderbreekt ze zichzelf midden in een zin. “Denk je dat hij het warm heeft?” “Zou hij honger hebben?” “Nee, laat maar, hij slaapt.” Ik zie haar twijfelen of ze het nog een keer moet checken. Ze doet het niet. Maar haar hand blijft op de rand van de wagen liggen, als een soort verankering.
Ik herken haar. Of misschien herken ik vooral de vrouw die ik zelf ooit was, tien jaar geleden, in bijna hetzelfde café, met bijna dezelfde blik.
Toen Sam een paar maanden oud was, sprak ik af met een vriendin in Amsterdam. Ik had mezelf voorgenomen om die middag eindelijk weer eens iets anders te zijn dan moeder. Gewoon Caroline, zonder wagen, zonder tas vol flesjes; gewoon twee vrouwen aan een tafeltje zoals vroeger. Zij vertelde over haar werk, over een reis naar Portugal, over een man die ze net had leren kennen en waar ze duidelijk verliefd op was. Ik knikte op de juiste momenten en probeerde oprecht geïnteresseerd te klinken. Maar onder de tafel had ik mijn telefoon al drie keer gecheckt of er een berichtje was over mijn baby. Niet omdat er iets was, gewoon omdat mijn hand er zelf naartoe ging; een reflex die sterker was dan ikzelf. Op een gegeven moment stopte ze midden in haar zin en zei: “Je bent er niet echt bij, hè?” Ze zei het niet kwaad. Meer verbaasd. Ik wist niet wat ik moest antwoorden, want ze had gelijk, en ik wist niet eens wanneer dat precies was begonnen.
Caroline Beerkens over moederhaast: 'Het leven draait om schema’s, verantwoordelijkheden en onderbrekingen'
Op de fiets naar huis dacht ik er de hele weg over na. Wat was er met mij gebeurd? Waar was de vrouw gebleven die uren kon praten en lachen zonder ook maar één keer aan iemand anders te denken dan aan zichzelf en haar vriendin tegenover haar? Jarenlang dacht ik dat ik mezelf gewoon kwijt was geraakt, ergens tussen het vliezen breken en de eerste nacht met te weinig slaap. Ik heb naar haar gezocht. Serieus gezocht, jaren. In oude foto’s, in gesprekken met vriendinnen, in de stilte na het slapengaan als ik probeerde te bedenken wie ik ook alweer was voordat ik moeder werd.
Tot ik, veel later, een naam vond voor wat ik toen voelde. Matrescentie. De psychologie noemt het pas sinds kort zo. Alsof het lang heeft geduurd voordat er echt werd gekeken naar wat er met een vrouw gebeurt op het moment dat ze moeder wordt. We onderzochten uitvoerig hoe een baby hecht, groeit, leert. De moeder was decennialang vooral het decor waarin dat allemaal plaatsvond.
Onderzoekers vergelijken het nu weleens met de puberteit. Niet omdat het hetzelfde voelt, maar omdat het net zo’n complete herschikking is. Je lichaam verandert. Je relaties verschuiven; soms breken vriendschappen erop stuk, soms groeien ze juist dichter naar elkaar toe. Zelfs je brein bouwt zichzelf om, letterlijk zichtbaar op scans: gebieden die waakzaamheid en het herkennen van je kind aansturen worden actiever, permanent op scherp. Dat is de reden dat je aandacht wegglijdt naar een kinderwagen midden in andermans belangrijkste zin. Het is geen falen als gesprekspartner. Je hoofd doet precies waar het op dat moment voor gebouwd is, of je dat nu wilt of niet.
“Ik hoop dat ik ooit weer een beetje mezelf word”, zegt mijn vriendin tegenover me, terwijl ze naar haar inmiddels slapende zoon kijkt. Vroeger had ik geantwoord dat dat vanzelf weer komt en dat het gewoon tijd kost. Een geruststelling die niets kost om te geven en niets oplost om te horen.
“Misschien hoef je niet terug naar wie je was”, antwoord ik. Ze kijkt me vragend aan. Zegt niks terug. Haar hand gaat naar haar koffie, allang koud. Ze neemt toch een slok. En voor het eerst sinds ik binnenkwam, laat ze de wagen even voor wat hij is en kijkt ze naar mij. Alsof ze wacht op de rest van de zin.
Ik geef die rest niet. Niet omdat ik hem niet heb, maar omdat ik weet dat ze hem zelf moet vinden. In haar eigen tempo, net zoals ik jaren nodig had. Wat ik wel weet, is dit: er is die dag in het ziekenhuis niet alleen een zoon geboren. Er is ook een moeder geboren, een compleet nieuwe vrouw met een compleet nieuw brein en een compleet nieuw hart. En die heeft nog nooit een kaartje gehad, geen bos bloemen, geen ‘gefeliciteerd’. Terwijl zij het net zo hard verdient.
Niets missen van LINDA.mini? Schrijf je in voor de wekelijkse nieuwsbrief.
Caroline Beerkens: 'De keren dat we samen op pad gaan, zijn meestal voor een verplichting'

















