
Als ze het over mocht doen, zou Angelique (65) niet opnieuw voor een kind kiezen. “Toen ik voor het eerst over spijtmoeders hoorde, wist ik: dát is het. Dit is waar ik sinds de komst van mijn zoon mee geworsteld heb.”
“Bram had onmogelijk meer welkom kunnen zijn. Negen maanden keek ik reikhalzend uit naar zijn komst. Dat ik een alleenstaande moeder zou worden, vond ik prima: ik was 27, in de jaren tachtig al bijna oud voor een eerste kind. Bovendien viel ik nu niet bepaald op de stabielste mannen. Dus als ik op de juiste partner moest wachten … En gelukkig had ik een groot sociaal netwerk. Mijn beste vriend ging mee naar zwangerschapsgym en zou, net als mijn beste vriendin, bij de bevalling zijn. Mijn vader timmerde een wiegje, ook mijn moeder stond klaar om te helpen. Mijn kind zou in een groot, warm bad terechtkomen. De hele zwangerschap was ik euforisch. Zelfs de bevalling ging makkelijk. En toen lag er opeens een mensje op mijn borst. Met grote ogen keek ik hem aan. Straalverliefd. Tegelijkertijd overviel de verantwoordelijkheid me toen al. Vanaf nu waren het hij en ik, elke dag, voor altijd. Ik was nu moeder. En moeders kunnen dat, toch? Dus ik ook. Natúúrlijk.
Voordat Bram kwam, had ik een vrij leven. ’s Zomers vertrok ik naar de Waddenzee om op een schip te werken. Wanneer de herfst inviel, ging ik naar huis en zocht ik weer een baan in de zorg. Daarnaast danste ik nachtenlang op de bar. Brams vader was lief, maar geen serieus relatiemateriaal. Zwanger worden was dan ook helemaal niet de bedoeling. Het gebeurde toch en intuïtief voelde ik al binnen een paar dagen dat er iets in mij groeide. Ik was verbaasd, maar ook heel blij. Geen haar op mijn hoofd die dacht aan een abortus. Ik had altijd al graag kinderen gewild en voelde me er klaar voor.
GROEIENDE ONRUST
De eerste keer dat ik dat onbestemde gevoel ervaarde, alsof er iets mis met me was, was toen Bram een jaar was. Daarvoor was alles goed, bijna idyllisch verlopen. Mijn zoon huilde amper, zat snel in een ritme en er was hulp in overvloed. Ik was stapelgek op hem en paradeerde dolblij met hem door de stad. Dat het best eigenaardig was dat ik na zes maanden alweer vier keer per week naar mijn koor ging, besefte ik niet. Er stond die avonden een babyfoon bij de buren; dat kon toch best? Goed, andere koorleden roddelden wel over mij, maar zelf voelde ik me er niet ongemakkelijk bij. Dat kwam pas toen ik Bram voor het eerst een weekend uit logeren bracht. Ik rekende erop dat ik overvallen zou worden door gemis. Maar dat gebeurde niet, ik miste hem geen seconde. Integendeel, ik vond het heerlijk om weer vrij te zijn. Toen ik Bram zondagavond ophaalde, voelde ik me daar vreselijk schuldig over. Maar, suste ik mezelf, ik was wél heel blij om hem weer te zien. Dat ik veel van hem hield, daaraan twijfelde ik geen seconde.
Toch was de vrijheid me zo goed bevallen dat ik Bram vanaf dat moment vaker bij anderen onderbracht. Want er groeide steeds meer onrust in mij, ik voelde me als een vogel in een kooi. Ik begon smoezen te verzinnen om een oppas te kunnen regelen. Dan had ik weer dit, dan weer dat. Ik greep zo ongeveer iedereen in zijn kraag. En nee, dan vertelde ik natuurlijk níét dat Bram onlangs ook al daar, daar en daar was geweest. Ik schaamde me, voelde me tekortschieten als moeder. Toch was mijn behoefte aan vrijheid sterker dan mijn schuldgevoel. En Bram leek er niet onder te lijden, integendeel: hij had altijd zin in zijn logeerpartijtjes.
Het waren overigens niet zozeer de zorgtaken die ik zwaar vond. Ik vond het heerlijk om met Bram te tutten en leuke dingen met hem te doen. Hij lustte alles, dus voor hem koken was een feest. Maar alsjeblieft niet elke dag. Niet die gevangenschap van een vaste structuur. Het was de vastomlijnde rol van moeder die me benauwde. Dit met iemand bespreken, durfde ik niet, terwijl ik over andere dingen heel open was. Ik dacht vol gêne dat ik dit als enige op de wereld zo voelde. En al hád ik het willen zeggen, ik had er geen woorden voor. Een vriendin had een postnatale depressie, dat was tenminste duidelijk. Wat ik had, daarvan had ik geen idee.
Ik denk dat Bram drie of vier was, toen ik voor het eerst dacht: ik had hier nooit aan moeten beginnen. Want vanaf toen kwam er machteloosheid bij. Bram, eerder superlief, begon probleemgedrag te vertonen. Op de crèche gooide hij met spullen, beet andere kinderen in hun arm. Ook later op school was hij niet te handhaven. Er begon een lange tocht langs hulpverleners: huisartsen, maatschappelijk werkers, psychologen en onderzoeksinstituten. Er werd gedacht aan ADHD, allergieën en een hele rits andere oorzaken – maar er kwam niets uit. Ondertussen knaagde de gedachte: dit komt vast door mij, omdat ik geen echte moeder ben. Dus dwong ik mezelf nóg harder mijn best te doen. Ik las hem voor, nam hem elke zondag mee naar de kinderboerderij, knuffelde hem plat en vertelde hem hoeveel ik van hem hield. Ondertussen werden de problemen alleen maar erger. Wat voelde ik me eenzaam. Ik snakte ernaar dat iemand me bij de hand nam en zei: ‘Je moet het zus en zo aanpakken.’ Of beter nog: ‘Laat mij het van je overnemen.’ Maar hoeveel steun ik ook kreeg van anderen, ik kon geen moment vergeten dat het míjn kind, míjn verantwoordelijkheid was. Hoe graag ik daaraan ook wilde ontsnappen, er was geen enkele way out.
VERDER LEZEN?
- Krijg onbeperkt toegang tot alle artikelen
- Lees LINDA.magazine online
- Geniet van te gekke winacties en lekkere puzzels
- Maandelijks eenvoudig opzegbaar



































