Interview

Marian Mudder (68): ‘Ik vond mezelf heel vaak een vervelend, moeilijk wijf’

Actrice en therapeute Marian Mudder (68) heeft nogal wat ervaring met toxische relaties: regelmatig viel ze voor de verkeerde man.“Als je zelf onveilig opgroeit, voelt een onveilige relatie vertrouwd.”

Er is zo veel dat actrice en therapeute Marian Mudder (68) eerder had willen weten. Wat de invloed van je jeugd is op je liefdesleven, ­bijvoorbeeld. Hoe je eigenlijk een goede partner kunt zijn. Wat je ­allemaal níét hoeft te doen in een relatie. Wanneer iets gewoon genoeg is, ­wanneer zijzelf gewoon genoeg is. Ze schreef er een boek over: Wat ik eerder had willen weten over de liefde, dat komende maand verschijnt.
Thuis in de Amsterdamse Jordaan serveert Marian Mudder zoethoutthee met verse gember. Naast haar op de bank ligt Billie, een enorme zwarte kat. Het boek waarover we praten is nog vers, ze heeft het ­manuscript pas twee dagen geleden ingeleverd. Het onderwerp: hoe het mogelijk is dat je blijft hangen in een ingewikkelde of zelfs toxische ­relatie. Ze gebruikt haar eigen relatie als casus om uit te leggen waarom je soms niet weggaat, of steeds in dezelfde valkuil trapt.

Wat ging er mis tussen jou en je ex?
“Onze relatie was explosief. Mijn vriend, ik noem hem in het boek de Muzikant, had woede-uitbarstingen. Nadat we een paar jaar samen waren, raakte hij verslaafd. Hij dronk heel veel – whisky – en hij gebruikte cocaïne. Als je partner verslaafd is, laat hij je eigenlijk structureel in de steek. Hij werd heel iemand anders en daar hadden we steeds ruzie over. Ik was ook geen watje, dus ik ging de strijd aan. Ik zei dat ik wilde dat-ie niet meer dronk, niet gebruikte. Dat ging er soms heel hard aan toe.”
Zeiden je vriendinnen niet: ga weg bij die vent?
“Nee. Ik praatte er niet over. Dit was in de jaren tachtig, drank en drugs vond bijna iedereen normaal. En het was een leuke vent, een heel populaire jongen. Ik was de enige die moeite had met zijn gedrag, de meeste mensen vonden hem gewoon heel gezellig. Een leuke gast, overal voor in. En dat was hij natuurlijk óók.”
Ging je niet enorm aan jezelf twijfelen?
“Ik dacht heel vaak: wat ben ik toch een vervelend, lastig wijf. Vaak wilde ik weg en bleef ik toch. We hadden het óók leuk, dat wil ik altijd ­benadrukken: het was niet alleen maar naar. Maar het was wel ­ingewikkeld en moeilijk. En veel van de redenen om te blijven, hadden te maken met wat ik in mijn jeugd leerde over wat liefde is. En hoe je je als partner moet gedragen.”
En dat klopte niet?
“Mijn verwachtingen waren veel te hooggespannen. Van mezelf, maar ook van de ander.”
In je boek schrijf je hoe je ontdekte dat dat door je jeugd kwam.
“Mijn ouders hebben heel erg hun best gedaan …”

… maar met matig succes.
“Precies. En daardoor had ik bindingsangst én verlatingsangst. Dat wist ik al wel een tijdje, maar het heeft veel meer gevolgen gehad. Het zorgde er ook voor dat ik in die onveilige relatie bleef hangen.”
Waarom?
“Omdat het veilig voelt. Als je zelf onveilig opgroeit, voelt een onveilige relatie vertrouwd. Wie een relatie begint, kiest niet in de eerste plaats voor een persoon, maar voor iets wat vertrouwd voelt. Iets wat je kent. Mijn ouders waren emotioneel afwezig, dus toen ik iemand tegenkwam die heel hartelijk was, heel joviaal, maar er toch niet echt voor me kon zijn, dacht ik: hier moet ik zijn. Hier kan ik mee omgaan. Terwijl iemand die een veiligere jeugd had, juist bij een gezond persoon denkt: dit ken ik. Die zal dus veel makkelijker gezonde relaties aangaan.”
Ook oneerlijk eigenlijk. Heb je al een rottige jeugd, ben je ook nog zo geprogrammeerd dat je voor de verkeerde relaties kiest.
“Je bent een stekkertje en zoekt het juiste stopcontact. En dan ontstaat er een dynamiek die misschien niet goed is, maar wel bekend voelt. Als je geluk hebt, denk je na een tijdje: dit is niet leuk, ik wil iets anders. Maar ik ging eindeloos aan hem sleutelen, probeerde hem te redden – wat alleen maar een manier was om me beter te gaan voelen over mezelf. Slimmer is om naar jezelf te kijken, om te ontdekken wat daar mis is.”
Je boek heeft eigenlijk twee perspectieven: je schrijft over je eigen ervaringen én je ervaringen als therapeut. Dat moet een gek proces zijn geweest.
“Het boek had meerdere versies. Ik heb het eerst geschreven vanuit de persoon die ik vroeger was en toen als therapeut, met de blik van nu. Met alle inzichten die ik heb opgedaan. Inmiddels snap ik zoveel beter wat er aan de hand was.”
Heb je spijt van de relatie waarover je vertelt?
“Nee. Spijt vind ik een moeilijk woord. Als ik beter had geweten, had ik beter gedaan. Ik had wel liever een gelukkiger liefdesleven gehad.”
In je boek schrijf je dat je vaak vreemdging. Hoe kijk je daar nu op terug?
Lachend: “Dat was top. Daardoor heb ik het ook nog heel leuk gehad. Ik werd verliefd op iemand, was daar dan een paar jaar mee en toen kwam er weer iemand anders, met wie ik ook weer een paar jaar was. Iedereen wist het ook van elkaar hè, er was een andere seksuele moraal dan nu. Maar goed, als ik er nu op terugkijk, was het vooral een manier om het leven door te komen en het vol te houden in een slechte relatie. Ik zou nu overal heel anders mee omgaan.”