Editorial

‘Doodeng vond mijn moeder al die tunnels waar mijn vader veel te hard doorheen reed’

doorLinda de Mol

*Note: voor de eventuele gen Z-lezers heb ik tussen haakjes wat achtergrondinformatie toegevoegd.
Ik zie me nog zitten als klein meisje op de achterbank van de groenmetallic Ford Capri van mijn ouders. Erachter hing aan de trekhaak een kleine witte caravan, waarmee we ieder jaar met ons gezin en de hele familie van mijn moeders kant naar het Gardameer togen. Ingeklemd tussen de lange benen van mijn negen jaar oudere broer en zijn beste nog langere vriend, die ook mee mocht. Los in het midden zat ik (want van veiligheidsgordels achterin hadden we nog nooit gehoord). Voorin zaten de gordels er wel, maar die werden nooit gebruikt. Die gaven ook niet mee en waren lastig als mijn moeder in de koelbox die tussen haar benen stond moest duiken om er een lauw blikje Sisi (light frisdrank bestond nog niet) of wit bolletje met gehakt uit te halen, of een gesmolten koetjesreep. Via de achterruit kon mijn vader niks zien, want de achterbak zat vol met onmisbare zaken als een opblaasboot, blikken campingboter, handdoeken, badmintonrackets en ander campingspul. Aan de achter­bumper hing een zwart rubberen lint dat volgens de reclame zou helpen tegen wagenziekte, maar niet kon voorkomen dat achterin ­weleens iemand z’n hele ontbijt eruit gooide.
Mijn moeder las de enorme uitvouwbare wegenkaart (van gps hadden we nog nooit gehoord) maar nooit op de manier dat mijn vader het vertrouwde, hetgeen nogal eens leidde tot wederzijdse ergernis. “Jij zei déze afslag!” “Nee, ik zei de vólgende!” “Dit was toch de volgende?” “Je houdt ’m wéér ondersteboven.” “Niet! Hoe kom je daar nou bij?”

Zowel mijn vader als mijn moeder zat voorin constant te roken. Mijn vader Camel zonder filter, mijn moeder Belinda en dat gedurende de hele twaalfhonderd kilometer lange tocht (van meerokende kinderen hadden we nog nooit gehoord). Ik herinner me dat ik vaak bij Amersfoort al begon te informeren of we er al bijna waren. “Nee lieverd, nog lang niet.” En daar kwam weer een eindeloos potje Ik-zie-ik-zie-wat-jij-niet-ziet. Op de radio (van Spotify of podcasts hadden we nog nooit gehoord) klonk Radio Tour de France, wat ik oersaai vond maar mijn moeder hield van Franse chansons en zong ze allemaal fonetisch mee. Vanaf de Italiaanse grens werd het heter in de auto en moest mijn vader op een handdoek zitten omdat-ie in zijn korte broek anders aan het leer bleef plakken (van airco hadden we nog nooit gehoord).
Eenmaal in Italië kwamen de tunnels die mijn moeder doodeng vond en waar mijn vader, vond zij, veel te hard doorheen reed met die slingerende caravan erachter. Ik-zie-ik-zie veranderde in We-zijn-er-bijna. En dan na een uur of veertien in de Ford Capri waren we er: Camping Promontorio in Maderno, aan het prachtige Gardameer.
Terwijl mijn ouders kibbelend de auto uitlaadden en de voortent optuigden, rende ik al in mijn nieuwe bij V&D gekochte bikinietje en roze waterschoentjes naar de kantine voor een potje tafelvoetbal met de andere kinderen die ik daar kende. Insmeren met factor 50? Daar deden we niet aan. Als je verbrandde, moest je met een T-shirt aan zwemmen, wat ik eigenlijk alleen maar leuk vond (van huid­kanker door te veel zon hadden we nog nooit gehoord). Ik was in die tijd zo mager, dat ik met mijn dunne armpje achter in het gat van de tafelvoetbaltafel aan de klep kon ­trekken. Daardoor kwamen die ballen steeds opnieuw gratis tevoorschijn en dat scheelde elke keer een kwartje (van de dure euro hadden we nog nooit gehoord). Als de voortent stond, stak mijn vader de barbecue aan (van vaders die kookten had ik nog nooit gehoord, maar de BBQ was mannenterrein).