
Door digitale technologie lijkt ons leven een stuk gemakkelijker geworden. Maar wat moeilijker blijkt, is écht verbinding maken. En daar hebben we, gezien de groeiende groep eenzamen, eigenlijk heel veel behoefte aan.
Zomaar een dag uit mijn leven: ik word wakker van de wekker op mijn telefoon, kleed me aan, ontbijt wat, fiets naar de sportschool met muziek op mijn oren – jawel, via mijn telefoon – en check daar in via een app op diezelfde iPhone. Tussen de andere zwetende lichamen volg ik via weer een andere app braaf de oefeningen van mijn online personal trainer. Ik maak wat selfies van mijn zweethoofd, God knows why, het is inmiddels haast automatisme. Mijn boodschappen reken ik daarna af bij een zelfscankassa – niet eens een bewuste keuze, er zit niemand achter de kassa’s. Betalen doe ik met mijn digitale bankpas.
Zoals bijna iedere dag werk ik als freelancer vanuit huis. Contact met opdrachtgevers gaat vooral via e-mail en de enige vergadering die ik vandaag heb, is online. Ik registreer de blikkerige stem van mijn gesprekspartner maar half, het blijft toch anders dan met elkaar in één ruimte zitten. ’s Avonds videobel ik met mijn broer die in het buitenland woont en zoek ik via verschillende AI-tools naar de beste vakantiebestemmingen. Mijn geliefde slaapt een nacht niet thuis en zo kom ik er aan het einde van de dag achter dat ik bar weinig (fysiek) sociaal contact heb gehad. En dat is helaas geen uitzondering.
Jong en oud – we kunnen er niet omheen: technologie beïnvloedt al jarenlang een groot deel van ons dagelijks leven en veel van ons contact vindt digitaal plaats. Dat kan een behoorlijk vervreemdend gevoel opleveren. Waar we vroeger vaker een praatje maakten met een vreemde omdat we simpelweg sneller met mensen in aanraking kwamen – de supermarktcaissière, een medewerker van de klantenservice, of zomaar iemand in het ov – zijn we inmiddels steeds minder gewend om met elkaar te interacteren. Zelfs als we ons met anderen in een ruimte bevinden, zoals de trein of supermarkt, verkeren de meeste mensen in hun eigen bubbel, al tikkend en scrollend, liefst met oortjes in. En steeds vaker bekruipt me de vraag of we niet te ver zijn doorgeschoten in deze manier van leven.
GEMAKZUCHTIG BREIN
Zelf ben ik absoluut niet heilig. Toen ik een tijdje terug een periode overspannen was, moest ik bewust mijn online prikkelmomenten afbouwen. Het was shocking om te merken hoe moeilijk dat ging, zo gewend was ik geraakt aan het gevoel om altijd ‘aan’ te staan en contact te hebben, al was het via een eenzijdige relatie met mijn favoriete podcasthosts.
Bij mij komt het vaak neer op gewenning. En laten we wel wezen: al die technologische snufjes, diensten en producten maken ons leven ook een stuk makkelijker. We hoeven niet meer een halfuur naar oninspirerende liftmuziek te luisteren als we in de wacht staan bij een klantenservice: via een chat worden we veel sneller geholpen. Liggen we ziek in bed, dan bestellen we met een paar klikken boodschappen die aan huis worden bezorgd. En met het grootste gemak maken we geld over naar gezinsleden aan de andere kant van de wereld als die op vakantie hun creditcard zijn verloren. We hoeven niet meer eindeloos door een telefoonboek of encyclopedie te bladeren als we iets willen opzoeken – daar zijn zoekmachines en AI voor. Veel technologische toepassingen zijn, kortom, ontworpen om ons leven efficiënter te maken. En voor dat gemak zijn we als mens behoorlijk gevoelig, zegt gedragspsychologe Sanne Cornelissen. “Ons brein houdt van comfort en kiest vaak automatisch voor de makkelijkste route, we zijn gewend mentale moeite te vermijden. Technologie maakt die makkelijke route steeds toegankelijker: met één klik krijgen we contact, een antwoord of een oplossing op een vraag. De beloning die daarop volgt – die korte dopaminepiek van sociale media, een chatbot of een andere digitale prikkel – versterkt vervolgens de neiging om het nog een keer te doen.”
Op zich is daar niets mis mee, vindt Cornelissen, er zitten veel positieve kanten aan digitalisering en AI. Ze schreef twee boeken over hoe we ons kunnen verhouden tot technologieën die zich in rap tempo ontwikkelen. Zo kan AI helpen structuur aan te brengen in onze gedachten of fungeren als sparringpartner, eentje die altijd in de buurt is bovendien. Volgens haar is dat zowel in ons werk als privéleven een aanwinst.
Ook antropologe Aafke van Sprundel ziet digitalisering en de hoge mate van online contact niet per se als een verarming. “Online kun je met veel meer mensen tegelijk contact hebben en op verschillende plekken in de wereld tegelijk ‘aanwezig’ zijn. Voor mensen die in de fysieke wereld moeilijker contact maken, kan dat een uitkomst zijn. Mensen met een beperking of personen voor wie sociale situaties in het dagelijks leven ingewikkelder zijn, bijvoorbeeld. En familie die ver weg woont, blijft dankzij videobellen toch heel nabij.”
Maar dat gemak heeft ook een keerzijde, signaleren beide experts. Een van de risico’s is dat onze self-efficacy – het vertrouwen dat we iets zélf kunnen – afneemt. Cornelissen: “Als we voor ieder probleem, iedere vraag of iedere lastige gedachte meteen een digitale assistent kunnen inschakelen, wordt het verleidelijk om niet meer zelf te puzzelen. Daarmee dreigt niet alleen onze cognitieve zelfstandigheid af te nemen, maar ook onze vaardigheid. Wat je minder vaak oefent, wordt steeds moeilijker.” Dat geldt ook voor sociale vaardigheden, zegt ze. “Jongeren bellen bijvoorbeeld steeds minder vaak, terwijl ze via Snapchat, WhatsApp en andere sociale media voortdurend met elkaar in contact staan. Het is dus niet zozeer dat ze minder sociaal zijn geworden, ze oefenen alleen wel minder met vormen van contact die directer en onvoorspelbaarder zijn. Zo kan een vicieuze cirkel ontstaan: hoe minder je die sociale spier gebruikt, hoe onwenniger livecontact wordt en hoe sneller je dat vervolgens gaat vermijden.
LEES VERDER MET PREMIUM
- Krijg onbeperkt toegang tot alle artikelen
- Lees LINDA.magazine online
- Geniet van te gekke winacties en lekkere puzzels
- Maandelijks opzegbaar














































