
Twintig jaar nadat ze voor het eerst het coast to coast path liep, keert Sarah Meuleman, haar dagboek van destijds in de rugzak, terug naar Engeland. Daar moet ze een levensgrote keuze maken.
ZOLANG IK ME KAN HERINNEREN, HEB IK EEN HEKEL AAN TERUGKEREN. Ik doe er alles aan om dezelfde weg geen twee keer af te leggen. Ik wil niet terug, ik wil verder. Ook als omkeren de enige verstandige oplossing lijkt, ga ik door.
1. De rode parasol
Toen ik vier jaar oud was, liep ik in mijn eentje naar de Noordzee om water te halen. We waren op vakantie in Oostende: koelbox, windscherm, schepjes. Het was eb en de zee leek heel ver weg. Mama wees op de rode parasol waar we onder zaten. “Deze moet je in de gaten houden!” Ik zie haar nog wijzen. Zorgeloos liep ik over het strand, recht naar de branding waar ik mijn emmertje tot de rand met zeewater vulde. Ik draaide me om en keerde terug, mijn blik soms op het spetterende water in de emmer, soms op de rode stip aan de horizon. Het was hoog zomer en druk op het strand; overal sjokten mensen, renden kinderen, snuffelden honden. Gelukkig kwam de rode parasol steeds dichterbij. Het vochtige zand veranderde geleidelijk in een mulle ondergrond waar mijn voeten steeds weer in verdwenen. Ik probeerde zo goed mogelijk te balanceren in het warme stuifzand zonder water te verspillen. Het lukte. Ik kwam aan bij de rode parasol, keek op en ineens was alles anders.
Onder de parasol zaten een vreemde vrouw en een vreemde man met twee vreemde kinderen die druk bezig waren met het bouwen van een zandkasteel. Mijn ouders waren verdwenen, verwisseld voor deze onbekende mensen. Ik weet nog dat ik dacht: vanaf nu zal ik het met deze familie moeten doen. Mijn nieuwe mama zag de schrik in mijn ogen en vroeg of ik verdwaald was.
Ik klemde mijn hand om de emmer, mijn stem was weg. Was ik verdwaald? Ik stond waar ik moest zijn, bij de rode parasol, zoals afgesproken. Ik bleef een tijdje zwijgend staan, mijn nieuwe mama maakte zich druk en mijn nieuwe papa besloot om met me naar de boulevard achter het strand te gaan. Daar vonden we mijn oude papa die me zocht. Toen was ik terug. Terecht. In de armen van mijn mama onder de juiste parasol. En toch was niets hetzelfde.
Ik was keurig heen en weer gelopen en in een andere werkelijkheid terechtgekomen, al kon ik niet precies zeggen wat er anders was. Die gebeurtenis op het Noordzeestrand is me altijd bijgebleven. Ze beangstigde me en bracht me aan het twijfelen: als je weggaat, kom je dan eigenlijk ooit terug? Als je vertrekt, zal bij terugkomst alles nog precies hetzelfde zijn? Blijft alles bestaan, ook als jij er niet meer bent?
tussen de
boeken voel
ik me veilig,
dat is altijd
zo geweest
Maar dit verhaal gaat niet over die wandeling naar zee, hoe wel het pad dat ik zou lopen me ook naar zee zou leiden. Dit verhaal begint ver van Oostende, in een Amsterdamse boekhandel. Op een druilerige zondagmiddag rukte ik me los van de opeenstapeling van alledaagse beslommeringen thuis: twee deadlines, een kapotte wasmachine, een chronisch boze dochter van dertien. De buren waren al een week aan het verbouwen en het lawaai was niet te harden. Ik kon me onmogelijk concentreren, keek om me heen, zag hoe de vuile was langzaam onze kleine woning overnam, kreeg geen lucht meer, pakte mijn jas en sloot de voordeur achter me om te vluchten, zoals ik vaker doe, naar ‘boekenland’. Tussen de boeken voel ik me veilig, dat is altijd zo geweest. In boekhandels word ik rustig: het slenteren langs boekenrekken, de bedwelmende geur van nieuw papier, het geluid van zachtjes ritselende bladzijden, de beschutting van duizend werelden en levens om me heen. Boeken troosten me. Want, hoe verschillend ze ook zijn, elk boek vertelt uiteindelijk hetzelfde: je bent niet de enige. Met je twijfels en gestuntel, grote zorgen, drukke dagen, teleurstellingen en verwachtingen.
Die zondag loop ik door een boekhandel naar de etage waar de reisafdeling zit. Ik voeg me tussen lezers die in dikke jassen, nippend van hun meeneembekers, bladeren door idyllische bestemmingen. Daar, wegdromend bij een reis die ik me totaal niet kan veroorloven, zie ik hem ineens. Ik schrik ervan. Daar staat hij, tussen de wandelboeken, een schim uit mijn verleden die ik honderden kilometers hartsgrondig heb vervloekt. Jarenlang heb ik niet meer aan hem gedacht, maar nu staart hij me vanaf een poster nors aan met zijn kleine ogen, witte bakkenbaarden, pijp. Geen twijfel: hij is het. De bedenker, de architect, de godfather van het Coast to Coast Path: Alfred Wainwright.
Toen ik 21 was, liep ik zijn beroemde wandelroute. Ik was onervaren en jong, een meisje met dromen, vastbesloten om met mijn loodzware rugzak van de ene naar de andere kant van Engeland te komen. Een langeafstandswandeling had ik nog nooit gedaan, ik was niet bepaald sportief te noemen, maar in een opwelling van jeugdige overmoed was ik toch aan de Coast to Coast begonnen. Ik heb geen idee wat mij er toen toe aanzette de tocht te lopen? Misschien wilde ik op zoek naar mezelf? Want, dat zeggen ze over lange wandeltochten: je komt jezelf altijd tegen. Ik pak Wainwrights gids en sla hem open. Het was een zware tocht van de oostkust van St Bees Head naar Robin Hood’s Bay. Ik lees de lieflijke namen van de plaatsjes waar ik lang geleden ben geweest, maar die me nu weinig meer zeggen. Of toch? Al bladerend door de gids komen flarden van de wandeling terug: mijn linkerenkel die tijdens de eerste kustetappe bijna zwikte, een nacht zonder slaap in een schuur waar het rook naar rottend hout, de stier die op me afstormde omdat ik een wapperend rood jurkje droeg. Ik wilde destijds alleen wandelen in jurkjes, vraag me niet waarom.
Op de cover van Wainwrights gids staat een foto van een meanderend beekje tussen zacht glooiende heuvels. Ik glimlach. De tocht was niet alleen maar zwaar, ze was ook onvergetelijk. Ik heb genoten van de lange, lege dagen waarop één voet voor de andere het enige was dat van me werd verwacht. Ben ik mezelf tegengekomen? Geen idee. Wat ik me wel herinner, is dat ik toen een dagboekje heb bijgehouden waar ik aan het einde van elke wandeling ijverig in schreef. Dat moet ik ergens hebben bewaard. Maar waar?
In een opwelling keer ik om, fiets door de kou terug naar huis en ga verwoed op zoek. Ik wroet in kasten, onder het bed, in stoffige kartonnen dozen die ik in geen jaren heb geopend. Net wanneer ik op het punt sta om het op te geven, zie ik onder in de kledingkast een houten krat. Ik open het deksel en begin te graaien. Tussen een aluminium draaimolen die nog van mijn moeder was en een supermarkttas vol vergeelde foto’s, ligt het dagboek. Een sober notitieboekje, klein en zwart met een rode rug en in mijn handschrift op de voorkant: Coast to Coast Adventure. Voorzichtig sla ik het open. Boven aan de eerste pagina prijkt een zon en een rij zeilbootjes die ik met balpen heb getekend. Donderdag 31 juli staat boven een opgeplakt slaapstoelticket voor de veerboot naar Engeland. Achter het ticket zit een foto van een meisje dat op het dek van de boot poseert. Ze heeft een melkwitte huid en een lief, blozend gezicht, Ik kan haast niet geloven hoe jong ze is. Was ik dat? Dat meisje met die ronde wangen, glunderende ogen, opgestoken hand? Het is alsof ze naar me zwaait. Hier ben ik. Kijk: hier was ik, ooit.
“Wat doe je?”, vraagt mijn dochter die de kamer binnen loopt. “Ik zocht een boekje”, zeg ik. “Van vroeger.”
“Het je het gevonden?” Ze komt naast me staan. Ik knik. “Mijn dagboek van meer dan twintig jaar geleden.” Ze kijkt over mijn schouder naar de foto van het meisje op het dek. “Je lijkt niet op jezelf”, zegt ze droogjes en loopt weg. Ik vraag me af of ze gelijk heeft? Er is veel tijd verstreken sinds het moment waarop die foto is gemaakt. Intussen ben ik moeder, schrijver, ouder. Ben ik diep vanbinnen nog dat meisje? Ik wil verder lezen, maar iets houdt me tegen. Het dagboek lezen voelt haast ongepast intiem, alsof ik op het punt sta om iemands privacy te schenden – de mijne. Heeft mijn vroegere ik recht op haar eigen geheimen? Ik leg het boekje weg en keer terug naar de dingen van het hier en nu: een wasmachinereparateur bellen, een column afschrijven, opruimen. Al die tijd blijf ik denken aan het meisje en haar reis.
Uren later, als mijn dochter ligt te slapen, pak ik het dagboek er weer bij. Ik hou het vast, voorzichtig, blader nieuwsgierig van bladzijde naar bladzijde. Haar handschrift is krullerig en hoog, heel anders dan het mijne, dat hoekig is en lager. Ik ben veranderd. Hoe zou ik diezelfde tocht vandaag ervaren, zoveel jaren later? Ik kijk door het raam naar een stad die winters stil en donker is, en in de nachtelijke rust neem ik een luid besluit. Net zo impulsief als het meisje op de foto en net zo zeker. Misschien zeg ik het zelfs hardop: ik keer terug. Het is geen wens, maar een belofte. Met het dagboek van het meisje dat ik was, zal ik voor de tweede keer Engeland doorkruisen. Met haar woorden bij me, onder dezelfde bomen, over dezelfde heuvels. In mijn voetsporen.
2. Citroenvlinders
De trein is weg en alles zwijgt. Ik kijk om me heen. Op een laag muurtje ligt een grijze kat te luieren. Ze rekt zich uit. Waar is iedereen? Het kleine station van St Bees is uitgestorven. Zo rustig, dat het lijkt alsof er in tijden geen trein is geweest. Ik zie twee sporen en een stenen huisje, omringd door groene velden. Citroenvlinders fladderen over de rails. Het ruikt er warm en zilt, de zee voelt heel dichtbij. Ik zet mijn tas neer en zie de vinders dartelen boven de lege sporen. Het is zo stil dat ik het geritsel van hun vleugels haast kan horen. Ik probeer me te herinneren wanneer ik voor het laatst zo lang en rustig naar een vlinder heb gekeken. Misschien wel nooit.
Mark, mijn vriend en medereiziger, heeft zijn rugtas afgezet en maakt foto’s van het station met een camera die hij met handvatten, snoertjes en lenzen voor de reis heeft ingericht, of zoals hij zegt: gerigged. Mark is filmmaker. Wat ik met woorden heb, heeft hij met beelden. We ontmoetten elkaar op een koude winterdag twee jaar geleden en zijn sindsdien onafscheidelijk. Hij maakt een film over wat hij plagerig mijn ‘tweede kruistocht’ noemt.
Ik vraag me af: is dat waar ik morgen aan begin: een kruistocht? Een soort bezinningsreis? Ik haal diep adem. De stilte van het stationnetje voelt vervreemdend, maar ook aanstekelijk. Een rust die ik in het dagelijkse leven nauwelijks ken. Misschien heeft Mark gelijk met zijn kruistocht. De komende weken doorkruis ik niet alleen een land, ik maak me ook los van die vertrouwde wereld van afspraken, werktijden en wachtwoorden om me over te geven aan een landschap buiten mijn gebaande paden. “Zullen we?”, vraagt Mark. Ik knik enthousiast. “Heb jij de route naar het hotel?”
we komen
aan in het
dorp, dat
niets meer
blijkt dan
een verlaten
straat
‘Er is maar één weg”, lacht hij, wijzend naar een smalle straat die vanaf het station steil naar boven loopt. “Voorlopig geen kaart nodig.” Ik zwier de rugtas over mijn schouders en samen banjeren we de helling op: Mark met energieke tred, ik zo veel mogelijk in de schaduw want de zon staat hoog en het is onEngels heet. Halverwege de heuvel moet ik stoppen om op adem te komen. Het valt me zwaar. Ik steun mijn tas op een paaltje, wrijf het zweet van mijn voorhoofd en doe mijn best de vraag die in me opdoemt te verdringen, wat uiteraard niet lukt. In felle letters knetteren de woorden door mijn brein: hoe kan ik een heel land doorkruisen als ik de eerste honderd meter bergop naar het hotel niet eens red?
“Cheer up”, lacht hij. “Alle begin is moeilijk.”
“We zijn nog niet eens begonnen”, zeg ik nuchter.
“We zijn al halverwege naar het hotel!”
“Mark, is dit misschien zelfoverschatting?”, vraag ik. “Wat?”
“Dit plan, deze trektocht, overschatten we onszelf?” Hij legt een hand op mijn schouder en kust me. “Noem het gezonde bluf. Kom op!” Buiten adem en met natte oksels komen we aan in het dorp dat niets meer blijkt dan een verlaten straat. Aan de overkant rent een jongetje met een speelvliegtuigje dat hij langs de witte gevels glijdt. Zodra hij ons ziet, stopt hij abrupt, houdt het vliegtuig stil en kijkt zwijgend hoe we met onze rugtassen het hotel in lopen. The Manor Inn heeft op het eerste gezicht niets met een manor gemeen; het is een eenvoudige cottage met een bruine kroeg beneden waar het ruikt naar bier en gefrituurde snacks. We melden ons bij de bar die dienst doet als receptie. Naast een rek vol sterke drank hangt een rij sleutels aan koperen haakjes. Mark tikt op een zilverkleurig belletje, maar niemand komt. Hij knikt naar de sleutels.
“Zullen we zelf een kamer uitzoeken?” Op dat moment verschijnt een struise vrouw achter de bar in een krap schort vol bruine spetters. Ze glimlacht vriendelijk, vertelt dat de receptie pas over een uur bemand is, maar dat ze ons alvast naar de kamer kan brengen. Ze trekt haar schort kordaat uit en leidt ons over een smalle trap door een gang met lage houten balken tot aan de kamerdeur. Zodra ze is vertrokken, plof ik mijn rugtas neer en spring op het bed.“Ik wou dat het al morgenochtend was”, zeg ik.
“Geniet nog maar even van het stilzitten”, zegt Mark. “Het wordt de komende weken zwaar genoeg!” Mark pakt zijn camera en gaat aan de slag met de technische filmsetup voor morgen. Ik trek mijn bezwete kleding uit, neem een douche en trek een luchtig topje aan. Ik ga zitten voor het open raam en voel hoe een koel briesje langs mijn rug strijkt. Ik kijk hoe Mark geduldig aan zijn camera werkt. Tussen zijn brede vingers manoeuvreert hij in opperste concentratie een minischroevendraaier. Naar hem kijken maakt me rustig. Verliefd zijn als veertiger is niet anders dan twintig jaar geleden. Echt niet. Sinds Mark weet ik het zeker. Nadenken over de toekomst is dat wel. Zo veel jaren zijn verstreken voor we elkaar ontmoetten, zo veel liefde, kinderen, breuken, wonden. Mark heeft vijf kinderen: Sepp, Jelle, Hanne, Lieve en Abel. Vanaf de eerste ontmoeting gingen ze liefdevol om met mijn dochter Lola. Ik vond het ontroerend hoe we met open armen werden verwelkomd. Dat maakt me elke dag weer blij. “Vind je het spannend?”, vraagt Mark. “Het begin?” “Ik vind jou spannend.” Hij zwaait met zijn schroevendraaier. “Ik ben benieuwd.”
“Waarnaar?” “Wat er gebeurt als je eindelijk in je dagboek gaat lezen.” Ik knik. Ik weet het. Ik heb het eindeloos uitgesteld. Maandenlang heeft het dagboek op mijn schrijftafel gelegen, dicht gebonden met een onvermurwbaar elastiek. Ik wilde wachten met lezen tot de wandeling. “Ben je bang dat je tegenvalt?”, vraagt Mark plagerig. “Sorry?” “Dat je vroegere ik tegenvalt? Is dat waarom je niet eerder hebt gelezen?” Speels haalt hij zijn schouders op: “Misschien was je destijds best saai.” “Haha, heel grappig”, zeg ik en geef hem een por. Toch heeft hij een punt. Wat weet ik werkelijk over de gedachten van mijn twintigjarige zelf? Het is zo lang geleden, zo ver weg. Onbewust heb ik in de loop der jaren een beeld van het meisje van toen gemaakt, haast een personage, net geen karikatuur. Zou dat beeld nog stroken met de zinnen die ik straks in het dagboek lees? Een bizarre vraag komt in me op: heb ik mezelf wel goed onthouden?
“Jij bent nooit saai”, zegt Mark beslist en hij slaat twee armen om me heen. “Lief, raar, Vlaams, maar nooit saai.” In een impuls pak ik een kussen van het bed en zwaai ermee tot hij omvalt op het matras. We vechten tot ik ineens bedenk dat we morgen aan een wekenlange trektocht beginnen: stoeien is niet zonder risico’s. We moeten heelhuids vertrekken. Ik ontworstel me aan de liefdevolle kluwen van armen en benen op het bed, open het zijvak van mijn rugtas en pak het dagboek. “Ik ga lezen”, zeg ik.
“Toe maar!”
Met het dagboek loop ik naar de tuin die ze hier trots de beer garden noemen. Hij stelt weinig voor: een treurig grasveld dat uitkijkt op een parkeerplaats. Op een bankje slobberen drie mannen met tattoos en uitgetrokken voetbalshirts boven pullen bier. Ik loop naar een tafeltje achter in de tuin waar nog een beetje schaduw is en leg het dagboek op mijn schoot.
wandelaars zijn
te herkennen
aan de hoeveel-
heid ritsen in
hun kleding
Mijn hand gaat traag over het omslag dat hier en daar gehavend is. Voorzichtig sla ik het dagboek open. Opnieuw zie ik de gekke zeilbootjes en de zon die ik lang geleden heb getekend. Ik blader naar de eerste etappe: ‘St Bees’ heb ik in zwierige letters geschreven onder een vergeelde foto waarop het meisje in regenjas met lange, natte haren voor de gevel staat van het hotel. Hetzelfde hotel. Ze kijkt blij: bijna gaat het avontuur beginnen! Onder de foto heeft mijn toenmalige vriend en reisgenoot Eric iets geschreven: ‘We zijn op weg naar Saartjes nieuwe leven.’
Mijn blik stokt bij die woorden. Saartjes nieuwe leven. Ik was glad vergeten dat ik vroeger Saartje werd genoemd en dat ik na die eerste wandeltocht van België naar Nederland zou verhuizen. Hoe kon de timing van een van de belangrijkste beslissingen in mijn leven me zijn ontgaan? Na die zomer zou ik uit Gent vertrekken om in Amsterdam met Eric samen te wonen. Ik studeerde nog, Eric was klaar met zijn toneelopleiding. Hij had een eigen theatergezelschap opgericht, was ambitieus en koppig, gretig en optimistisch, net als ik. Toen we de Coast to Coast wandelden, waren we iets meer dan twee jaar bij elkaar, net zo lang als Mark en ik nu samen zijn. Ik kijk naar het balpenpopje dat ik naast Erics woorden in het dagboek heb getekend: een figuurtje met wapperende haren en juichende stokarmpjes. Ik raak de woorden aan: Saartjes nieuwe leven. Nu pas begrijp ik dat mijn eerste Coast to Coast niet zomaar een impulsieve actie was, maar een overgangsritueel. Alsof ik die grote stap in mijn leven met een overvloed aan kleine stapjes wilde bezegelen. Plots voel ik een scherpe steek in mijn buik. Ik sluit mijn ogen. Morgen begin ik aan mijn tweede ritueel. Hoe moeilijk kan het zijn? Ik heb een doel, een landkaart en een route. Dat is veel meer dan je doorgaans van het leven krijgt.
3. De zwemmer en de branding
“Koffie?”, Mark wijst naar zijn kop pikzwart slootwater. Filterkoffie, en hij vindt het nog lekker ook. Ik kijk opzij naar drie gasten die staan af te rekenen in de pub. Waarschijnlijk beginnen ze vandaag aan dezelfde overtocht. Wandelaars zijn over het algemeen makkelijk te herkennen, met name aan de belachelijke hoeveelheid ritsen in hun kleding: broeken, truien, shirts, alles heeft extra kruipruimte. Een van hen kijkt me aan en knikt met glunderende ogen. Ik knik terug. We weten niets over elkaar en toch hebben we iets gemeen. Ik trek mijn waterdichte sweater met capuchon naar beneden.
“Staat je goed”, zegt Mark, maar ik weet het nog zo niet. Toen ik mezelf vanochtend in de spiegel zag, moest ik grinniken om mijn outfit. Ik draag nooit een kakikleurige afritsbroek of bonkige bergschoenen. Het was alsof ik keek naar een onwaarschijnlijke versie van mezelf.
“Het voelt alsof ik een uniform draag”, zeg ik.
“Zoals op school in België?”
“Precies, alleen was het toen een groen plooirokje.”
“Het is beter dan die jurkjes die je tijdens de eerste Coast to Coast droeg. Geloof me, nog even en je kunt niet meer zonder je sneldrogende afritsbroek!”
het liefste
zou ik nu
de heuvel
afrennen,
dwars door
de weiden,
recht naar
zee
Ik schud mijn hoofd en sta op, loop naar het buffet waar ik yoghurt in een kommetje schep met dikke brokken geroosterde muesli. Terug aan tafel, open ik Wainwrights gids. Ik heb me voorgenomen om godfather Wainwright elke ochtend te laten vertellen wat de etappe brengt. Vandaag voert de route ons een heel eind langs de kliffen van St Bees met veel steile klimmen en dalen. Halverwege buigt het pad landinwaarts, langs een steengroeve en onder een oude spoorlijn door. De etappe is 25 kilometer lang. Dat lijkt heel wat, maar ik heb eerlijk gezegd geen flauw idee hoe zo’n wandelafstand voelt? Mijn Fitbit is in Amsterdam al blij met tienduizend stappen. Dat worden er de komende weken veel en veel meer.
Om acht uur staan we in vol ornaat met bulkende tassen voor het hotel. Ik trek een pet over mijn vlecht want de zon is nu al fel.
“Klaar?”, vraagt Mark monter. “Meer dan klaar!”, antwoord ik, want ik sta te popelen om te vertrekken. De tocht begint, ik kan niet wachten. Het liefste zou ik nu de heuvel afrennen, dwars door de weiden, recht naar zee. In een stevig tempo lopen we langs huizen en tussen velden met gezapig grazende koeien. Algauw zien we een eerste flinter blauw en na een halfuurtje doemt ze op zoals alleen zij dat kan: de zee. Als een breed blauw lint strekt ze zich uit aan de horizon achter een onberispelijk gemaaid grasveld met bankjes. Ik hou van grasvelden, om een of andere reden maken ze me ongelooflijk rustig.
Een man met hond kuiert voorbij, zijn teckel snuffelt aan een bankje. Ik sluit mijn ogen, voel de zeebries die langs mijn wangen strijkt. Ik luister naar het ruisen. Ik ben geboren in Oostende en het geluid van de zee voert me steevast terug naar het begin: de lange wandelingen die mijn moeder langs de zeedijk met me maakte toen ik een baby was. Ik zie de grijze Noordzee voor me, de eindeloze boulevard, de harde wind, de warmte van het dekentje dat me bedekte. Ik weet dat ik te jong was om me daadwerkelijk iets te herinneren. Waarschijnlijk herinner ik me enkel de verhalen die mijn moeder me heeft verteld. Bij die verhalen heb ik in de loop van vele jaren levendige beelden gemaakt en die beelden zijn nu mijn herinneringen. Niet echt maar net echt. Net als de herinneringen aan mijn eerste overtocht, maar die heb ik bij me. Die kan ik teruglezen. Ik ga zitten op een bankje en haal het dagboek uit het zijvak van mijn rugtas en open het dagboek bij de start. Ik schreef: ‘Engeland! Eindelijk weer in Engeland!! Ik geloof niet in vorige levens, maar als ze bestaan, heb ik er meerdere in Engeland geleefd. Na een lange reis met een boot, veel treinen en nog meer bussen, zijn we vertrokken in St Bees!! Eric is zijn wandel- hoed helaas al kwijtgeraakt. We stonden van het uitzicht te genieten toen het ding van de klif afwaaide. Meters naar beneden. Gelukkig schijnt de zon niet al te fel vandaag. We lopen naar het gedenkteken waar de route écht begint. Het is vreselijk spannend!! Maar ik twijfel er niet aan dat we dit kunnen! We zijn in Engeland, hier zijn geen bergen of woestijnen. Alles is hier vriendelijk en mild. Hoe moeilijk kan het zijn? We zijn partis!’
Ik moet lachen om de overdaad aan uitroeptekens in de tekst en mijn schaamteloze puppyenthousiasme. Maar mijn liefde voor Engeland is jaren later nog net zo groot, en net zo gemotiveerd als twintig jaar geleden loop ik met Mark naar het Coast to Coast-gedenkteken: een plakkaat met de routekaart en een portret van Alfred Wainwright. Door ervaren wandelaars wordt dit punt Mile Zero genoemd, wat redelijk ontnuchterend werkt: duidelijk, we zijn bij het nulpunt, dus nog helemaal nergens.
De gasten die ik vanochtend in de pub zag, staan uit gebreid te poseren bij het teken. De opwinding straalt van hun gezichten af. We groeten ze en ze stellen zich voor als Monica, John en Duke. Ze noemen zichzelf Auswi’s: Australiërs die in NieuwZeeland wonen. Ze zijn speciaal naar Engeland gereisd om de Coast to Coast te lopen. Hoewel de hike prijkt op talloze lijstjes met de mooiste langeafstandswandelingen ter wereld, is de route bekender bij Australiërs en Amerikanen dan bij Europeanen. Ze heeft de reputatie taai te zijn, met lange afstanden en steile stukken. Misschien verandert dat in 2025, als het pad officieel wordt uitgeroepen tot een National Trail en pittige etappes alternatieve routes krijgen die een stuk makkelijker te belopen zijn. Tot die tijd blijft het een overtocht zonder enige bewegwijzering: je volgt de route op een kaart. Of met GPS, maar wandelen met een app vind ik zoiets onromantisch: een stem die elke afslag opdreunt is iets voor autoritten naar het dichtstbijzijnde tankstation, niet voor een opwindend avontuur. Mark ziet dat anders, hij is dol op gadgets. We hebben er een aantal keer over gesteggeld, maar ik wil liever zonder de SNPapp beginnen. De weg vinden lukt prima met de landkaart die bungelt om mijn hals. Hoop ik.
“Is dit jullie eerste keer?”, vraagt Duke, een lange, magere man met vriendelijke ogen. “De Coast to Coast?” Hij lacht zijn verkleurde, schots en scheve tanden bloot.
“Twintig jaar geleden heb ik de tocht al eens gelopen”, zeg ik. “Jullie?”
“Ik heb mijn hele leven de Coast to Coast willen doen”, zegt Duke. “Eindelijk is het zover.” Ik zie zijn glunderende gezicht, kijk naar Monica die een tikje bedremmeld lacht en John die naar het topje van zijn wandelschoenen staart. Ik vraag me af of zijn gezelschap er met net zo veel enthousiasme aan begint?
“Twintig jaar sinds je vorige keer”, roept Duke. “Dan zal er vast heel wat veranderd zijn!”
“Er is maar één manier om daarachter te komen”, zeg ik, en als na een regieaanwijzing kijken we met zijn allen in de richting van de klif waarover een smal zandpad zich in het gras aftekent. Ons pad.
De Auswi’s beginnen aan de klim, Mark en ik lopen eerst naar het strand, want de traditie wil dat je het Coast to Coast Path start met het onderdompelen van je schoenen in de Ierse Zee bij St Bees. Een wandeldoop die door Wainwright persoonlijk werd bedacht en voorgeschreven. Na het dompelen haal je een klein beetje water uit de Ierse Zee dat je de hele route meedraagt naar de overkant. In Robin Hood’s Bay schenk je het water aan de Noordzee. Dan is de tocht volbracht.
Ik weet nog dat ik twintig jaar geleden stond te scheppen met een plaspotje dat ik van mijn oom die arts is had gekregen. Niet bijster sexy, maar wel gegarandeerd lekvrij. Met een plaspotje vol Ierse Zee trok ik door Engeland. Deze keer heb ik bij de drogist een flesje met schroefdop gekocht. Op de zijkant zit een label waar ik met zwarte stift op heb geschreven: ‘verstekeling’. Voorzichtig stop ik het flesje in een vak aan de zijkant van mijn tas. Terwijl ik de rits van het vak dichttrek, gaat een warme golf door me heen. Het is begonnen.
één stap kan
heldenmoed
vergen, één
woord kan
de toekomst
veranderen
Ik voel me energiek, mijn benen zijn er klaar voor. Met natte wandelschoenen beklimmen we de helling naar de eerste klif. De ondergrond is stenig, maar het stijgen gaat best vlot. Boven op de klif stoppen we even, betoverd door het weidse uitzicht: de witte huizen van St Bees in de verte, het brede grasveld met de opvallende ijscowagen die nu niets meer is dan een Barbieroze vlek, de uitge strekte zee onder een onbewolkte, intens blauwe lucht. Ademloos kijken we ernaar.
“Met dit tempo komen we er dus nooit”, zegt Mark. Hij heeft gelijk: we hebben nog zo’n 25 kilometer te gaan vandaag. Op zich klinkt het goed te doen: 25 keer een kilometertje. Ik heb me voorgenomen om de route precies zo aan te pakken als mijn boeken: ook die schrijf ik woord voor woord. Toen ik mijn eerste roman schreef zat ik urenlang voor een lege laptop pagina te turen naar een cursor die spottend naar me knipperde, alsof ze wilde zeggen: Sarah, hoe denk je dit te flikken? Ik dacht aan de woorden van Agatha Christie: ‘Een boek schrijven is als rijden door een mistige nacht: je ziet niet verder dan het licht van de koplampen, maar met dat licht red je het de hele weg.’ Een woord is niet lang, een stap niet ver. Beginnen aan een boek of aan een wandel tocht is vertrouwen op steeds weer een kleine eenheid die volkomen verwaarloosbaar lijkt, maar dat geenszins is. Eén enkele stap kan heldenmoed vergen. Eén enkel woord kan de toekomst voorgoed veranderen.
Ik heb het meegemaakt, niet zo lang geleden. Een paar woorden waren genoeg om alles wat ik liefhad op het spel te zetten. Ik hef mijn kin op en laat de wind door mijn haren gaan. Niet aan denken nu. Ik wandel verder langs steile rotsen, overal groeien grassen, lage boompjes, paardenbloemen. Het uitzicht lijkt een illustratie uit een kinderboek: de witte vuurtoren van St Bees, lieflijke velden en aan weerszijden, zo ver als je kunt zien, grillig kronkelende kliffen die zich als versteende golven in de zee begeven.
‘De zee is prachtig’, schreef ik in het dagboek, ‘maar de kliffen vragen mijn onverdeelde aandacht, het regent en de stenen op het pad zijn nat en glad. Ik moet de ganse tijd mijn best doen om niet uit te glijden en mijn enkel doet zeer.’
Vandaag regent het niet, de zon straalt. Urenlang volgen we de zee tot het pad naar rechts afbuigt, landinwaarts. De ruige kliffen maken hier plaats voor aarden paden, maar zonder de zeebries voelt het een heel stuk warmer.
Mijn lichaam werkt, broeit, mijn rug wordt steeds klammer onder de zware tas. Ik blijf me concen treren op mijn voeten: stap voor stap, woord voor woord.
We steken een weide over die ons bij een verlaten spoorlijn brengt. Onder het spoor loopt een smalle tunnel waar we stoppen. Het ruikt er muf en de grond is vochtig, maar ik laat me dankbaar zakken langs de wand en ga zitten op het koude steen. Ik leg een vlakke hand tegen de muur, probeer de koelte zo diep mogelijk in me op te nemen. Hier voelt het weldadig en beschut. Ik eet een zakje chips en moet denken aan die andere plek waar ik me zo geborgen voelde: een oude zolder in Amsterdam. Het eerste jaar in mijn nieuwe stad voelde geweldig: alsof de hele wereld aan mijn voeten lag. De patronen en begrenzingen die ik in Gent sterk voelde, leken in één klap verdwenen. Elke dag was weer een onbeschreven blad. Ik sluit mijn ogen en loop in gedachten weer naar boven in ons zeventiendeeeuwse huis aan de Korte Prinsengracht. Hoe spartaans ook, die zolder beschouwden Eric en ik als ons paleisje aan het water. Er was geen tussenmuur en er was geen enkele privacy, maar we hadden een dak boven ons hoofd en vooral: we hadden elkaar.
Ik leun tegen de koele muur onder het spoor. De tijd gaat snel, zo snel. Mijn relatie met Eric is voorbij. Onze zolder is nu van iemand anders.
Ik hijs de rugtas op mijn schouders en we vertrekken weer. We klimmen op de oude spoorlijn die we een aantal kilometers volgen. Het lopen valt me na de lunchpauze wel duizend keer zwaarder. Elk spiertje in mijn benen brandt, zwijgend zet ik de ene voet voor de andere, als een stug en half slaapwandelend Duracellkonijn.
Na een uur zwoegen en zweten, komen we langs een cricket veld en langzaam terug in de bewoonde wereld. Achter een pleintje met een kleuterschool ligt onze overnachtingsplek: The Sheppard’s Arms. Op stenen benen loop ik naar binnen, log en traag. Het voelt alsof die allerlaatste stappen door de hal van het hotel me de das om doen. Bezweet leun ik op de toonbank van de receptie, Mark neemt het woord. We krijgen een sleutel en ik strompel de trap op naar de kamer, zie een bed en stort neer. Mijn ogen vallen dicht. Anderhalf uur later word ik wakker. Ik kom van ver, kijk om me heen: een kamer met behang vol dikke, drukke bloemen, oubollig eikenhouten meubilair, een open raam. Mijn voeten voelen zwaar. Ik ga rechtop zitten en merk dat ik mijn wandelschoenen nog aanheb. Bruine vegen op de lakens. Mark zit naast me op bed de beelden te bekijken die hij vandaag heeft gefilmd. Hij glimlacht naar me.
“Ik sliep”, zeg ik, alsof dat nog verduidelijkt moest worden. “Als een blok was je vertrokken.”
“Ongelooflijk.”
“Het is de zon”, zegt Mark. “Wandelen bij meer dan dertig graden is niet ideaal.”
“Een vuurdoop.”
“Precies.”
“Maar, wat als het weer zo blijft? Er komen dagen aan met nog veel langere etappes!”
“Komt goed. Denk aan de branding.”
“De wat?”
“Als je in zee zwemt, moet je altijd eerst door de branding. Na die sterke golven wordt alles makkelijker. Zo is het ook met wandelen.” “Dus, die fameuze branding ligt nu achter ons?”
Mark lacht: “Dat denk ik niet.”
Ik schud mijn hoofd, sta op en trek mijn klamme wandelkleding uit. Ik neem een korte douche en pluk het enige jurkje uit mijn tas. Ik voel me licht in mijn hoofd. Na het opfrissen, lopen we naar de pub. Ik bestel een tonic, Mark een biertje. We nemen onze drankjes mee naar wat opnieuw een troosteloos tuintje blijkt. Het contrast tussen de overweldigende natuurpracht om ons heen en de treurige pubtuintjes is best schokkend. We gaan zitten aan een lange tafel. Onder het afdak verschijnen ineens de Auswi’s met volle glazen bier en gloeiende gezichten. Duke ziet ons en komt glunderend aangelopen. “Wat een dag, hè”, zucht hij, terwijl hij aanschuift met een vertederende vanzelfsprekendheid. Want, zo gaat dat: lange tochten loop je nooit alleen, altijd zijn er reisgenoten die je elke dag weer tegenkomt, ook al heb je niet voor ze gekozen. We zwijgen een tijdje samen, luisteren naar het kabbelende water. Een jongetje met een speelgoedtractor in zijn armen rent voorbij. “Hebben jullie kinderen?”, vraagt Duke, die een slok neemt.
“Samen zes”, zeg ik. “Hij vijf en ik één.” Duke kijkt zoals iedereen wanneer ze horen dat Mark vijf kinderen heeft. Hij ziet er jong en jongensachtig uit, zoiets verwacht je niet. “En jij? Heb jij kinderen?”, vraag ik. Duke schudt zijn hoofd. “We wilden graag, maar het mocht niet zijn.”
“Hoe kwam je bij de Coast to Coast?”, vraagt Mark.
“Het was de droom van mijn vrouw.” Hij neemt een slok. “Ik vind het vreselijk dat het nooit gelukt is.”
Mark kijkt naar Dukes reisgenoten die staan te keuvelen onder het afdakje. “Is je vrouw met de wandeling gestopt?” “Nee, ze is overleden. Covid.” Hij zwijgt en ik zie zijn ogen doven. “Ze was kerngezond. Altijd energiek, altijd plannen. Eerst leek het niet zo ernstig, gewoon een flinke verkoud heid. Ze werd beter. Een week later kwam het virus terug en ging ze razendsnel achteruit. Niemand kon ons helpen. De ziekenhuizen zaten vol, ze wilden haar alleen opnemen als ze niet zelfstandig meer kon ademen.” Hij knikt. “Toen we dat punt hadden bereikt, was het te laat.”
“Het spijt me, Duke”, zeg ik.
“Ik mis haar”, zegt hij. “Ik mis haar elke dag. Toen ik jullie zag, moest ik aan haar denken. Zoals jullie deze tocht samen beleven, zo had ik het graag met haar willen doen.” “Je bent hier”, zeg ik. “Je bent naar Engeland gekomen.” “Mijn zus vond het belangrijk. Ze stond erop mee te reizen, samen met mijn zwager.”
“Ik vind het moedig”, zeg ik. “Het is niet eerlijk”, zegt hij en die zin komt uit het diepste van zijn hart. Hij schraapt zijn keel, staat op. “Sorry dat ik jullie hiermee lastigval.” “Dat doe je niet, Duke”, zegt Mark en Duke knikt zachtjes. Ik zie dat hij het fijn vond om zijn verhaal te delen, ook al zijn we voor hem volslagen vreemden. Misschien wel juist daarom. “Dank je, jongens”, zegt hij. “Tot morgen.”
Een dik uur later, na een warme maaltijd en versgebakken apple crumble, sla ik het dagboek op de kamer nog één keer open. ‘Vandaag was zwaar’, schreef ik over deze etappe die me twintig jaar geleden net zo overrompelde.
‘Maar ik ben jong, ik zou dit moeten kunnen. Ik laat me toch niet intimideren door een heuvel meer of minder? Ik ga dit doen! Ik loop naar mijn toekomst en die is duidelijk. Niets zal me tegenhouden!!’
Ik glimlach om de woorden van het meisje dat haar toekomst zo helder voor zich zag. Vandaag ben ik minder zeker over wat de toekomst brengt. Misschien hoort dat bij de leeftijd, weten dat het leven zo veel onverwachte kanten op kan gaan. Ik woon met mijn tienerdochter in een klein huis op een hofje in Amsterdam. Daar is mijn schrijf kamer met muren vol inspirerende knipsels en quotes. Daar verzin ik elke dag verhalen. Mark woont vlakbij. We zijn verliefd en alles leek goed te gaan, tot het gebeurde. Nee, niet aan denken. Niet hier. Ik sluit het dagboek, leg het naast mijn kussen.
Ik staar naar buiten. Mark slaapt. De straat is stil. Ik trek mijn knieën naar mijn borst. Ik wist het voordat ik het wist. Misschien geldt dat wel voor alle belangrijke dingen in het leven. Die hoeven niet verteld: je weet het al. Ik voelde me niet lekker, niet helemaal mezelf. Ik was vaak duizelig, wilde veel slapen en mijn lichaam zag er anders uit. Na een paar weken deed ik toch een test. Ik weet precies nog waar ik stond toen ik het stokje van de test omkeerde en bevestigd zag wat ik niet wilde. Wat hij niet wilde. Hoe vertel je iemand met vijf kinderen dat je zwanger bent?

Verder Lezen?
Sarah Meuleman is auteur en journalist, o.a. voor NRC en Vogue. Haar roman De zes levens van Sophie werd genomineerd voor de Bronzen Uil en ze won de Boekenpanda. In mijn voetsporen ligt nu in de boekhandels.














































