Column

Claudia: ‘Mijn ouders dachten dat het leuk opgroeien was op het platteland. Wij werden gek van verveling’

doorClaudia de Breij

Claudia de Breij (51) is cabaretière, zangeres en schrijfster.

Gekke Henkie. Zo noemden we vroeger mijn vader thuis weleens. Ten eerste heet mijn vader Henk, net als veel mannen van zijn – maar dan ook echt alleen van zijn – generatie. En ten tweede was hij als enige vader gek genoeg om ons altijd te willen ophalen van een feestje. We woonden op het platteland omdat mijn ouders dachten dat dat leuk opgroeien was voor hun kinderen. Wij vonden van niet, want er was nergens in de buurt een café, geen club. Af en toe gaf iemand van pure verveling een feest in een boomgaard of een schuur en niemands vader had zin om na één uur ’s nachts nog ophaaldienstje te spelen. Behalve de mijne. Gekke Henkie. Als hem gevraagd werd waarom hij dat deed, zei hij alleen maar: “Straks is het voorbij, nu kan het nog.” Inmiddels ben ik zelf gekke Henkie. We wonen in de stad, dus het is niet zo vaak nodig. Bovendien heb ik jongens en – al ben ik niet veel minder overprotective dan mijn eigen ouders – het is toch ietsje minder eng om ze alleen naar huis te laten fietsen (dit voel ik niet echt zo, maar ik maak het mezelf wijs om te kunnen slapen).
De oudste ging laatst naar een festival in België. Hij houdt heel erg van een band die op het eerste gehoor teringherrie maakt, maar op het tweede ook. Op het derde gehoor, wanneer hij heeft verteld waarom een bepaald nummer zo mooi is en dat ik op de tekst moet letten, vind ik het prachtig.

Die band was de slotact, dus als hij met de trein naar huis moest kon hij nooit het hele concert afkijken. Eén puppyblik. Ik was om.
Een halfuurtje na de Belgische grens nog altijd zoekend naar de parkeerplaats waar ik tussen tientallen Belgische ouders wachtte op shuttlebussen vanaf het festivalterrein, begon ik te twijfelen of dit een goed idee was geweest. “We zijn nog even naar de merch, T-shirtje kopen. Straks pakken we de bus.”
Het was inmiddels half twee ’s nachts. We moesten straks nog twee uur terugrijden. Weer een appje: “Whoa sorry, kijk eens wat een rij voor de shuttlebus. We komen zo naar jou hoor!”
Mopperen, ijsberen, wanhopen, zeggen ‘Dit doe ik nooit meer’ en dan ineens een stralende jongen aan zien komen lopen. “Het was zo mooi. Oh, het was echt het mooiste dat ik ooit heb gezien. Dat ene liedje, weet je, wat ik jou weleens heb laten horen? Dat was zo mooi. Ik moest echt huilen. Mét tranen.”
Om vier uur kwamen we thuis, ik moe, hij voldaan. Hopelijk wil hij volgend jaar weer. Nu kan het nog.

Dit artikel is afkomstig uit LINDA.267 MOEDERS & DOCHTERS lees hier het hele magazine.

Thumbnail voor ‘Tegenover me staat een kind te oogrollen. Ik probeer niet te schreeuwen, maar doe het denk ik wel’‘Tegenover me staat een kind te oogrollen. Ik probeer niet te schreeuwen, maar doe het denk ik wel’Lees ook