Het was mijn beurt om met pap naar de geriater te gaan. De vorige keer was hij met mijn broer geweest en dat hadden beide mannen niet prettig gevonden. Iets met eigenwijze genen en botsende karakters. Ik dropte pap met rollator bij de ingang en parkeerde de auto verderop.
Langzaam volgden we daarna de juiste route, in dit ziekenhuis was het gelukkig niet ver lopen. Af en toe bleef hij hangen. Dan lukte een voet optillen niet, het is net alsof hij een error krijgt. Omdraaien duurde ook even. De geriater was een aardige vrouw, die de tijd nam om naar pap te luisteren. Hij is vaak alleen, dus áls hij de kans krijgt het woord te nemen, en over zichzelf te praten, dan doet hij dat ook. Neem hem dat eens kwalijk.
De geriater luisterde geduldig tot pap uitgepraat was. “Meneer Olde Olthof, ik zie dat u zeer stijf loopt. Dat zou eigenlijk, juist door de medicatie, beter moeten gaan. Maar vergeleken bij de laatste keer dat ik u zag bent u juist slechter ter been.” Pap knikte en klaagde over het gebrek aan slaap, dat hij door de medicijnen meer honger heeft en soms ’s nachts aan de vlaflip en rolmops zit.
“En…”, vroeg de vrouw, “Hoe zit het met vergeetachtigheid? Heeft u daar al last van?”
“Nee”, zei pap. “Ja”, sprak ik tegen. “Hij vergeet vaker kleine dingen. Zo bestel ik de boodschappen online voor hem, ik schiet dat voor. Tot een paar maanden terug maakte hij meteen het geld over. Nu moet ik pap eraan herinneren. Soms maakt hij ook het verkeerde bedrag over.” “O ja?”, vroeg pap verbaasd. Ik knikte. “En dat je niet weet dat ik je dat dus al wel eens verteld heb, hoort daar ook bij.”
“Ach, dat is Oost-Indisch doof”, lachte pap. Zo is hij, altijd een woordgrapje of droge grap maken. Net als z’n oneliners, steevast in het Engels: “Keep smiling” of “Stay positive.” Als motivational quotes een persoon zou zijn, dan was het mijn vader.

“Goed, concludeerde de geriater. Juist omdat de medicijnen niet aanslaan twijfel ik of u wel parkinson heeft. Ik denk aan vasculair parkinsonisme. Dat betekent dat je dezelfde symptomen kunt hebben, maar dat het bij u veroorzaakt wordt door aderverkalking in de hersenen. Het goede nieuws is, dat u langzaam van de medicijnen af kunt die u slaperig, hongerig en slecht ter been maken.”
We waren er beiden stil van. “En het slechte nieuws?”, vroeg ik, want we waren niet voor niets in een ziekenhuis. “Tja, aan de vasculaire variant is niet echt iets te doen. Het is slijtage, zeg maar.”
Zwijgend liep ik vijf minuten later, naast een waggelende vader terug naar de auto. Terwijl ik hem in de autostoel hielp, zei ik: “Ik weet niet zo goed of dit nu wel of niet een fijn gesprek was.” ”Heb ik echt vergeten te betalen?”, vraagt hij me serieus. Hij haat het om in de min te staan of schulden te hebben. Dat heb ik van mijn vader. “Ja, maar het was maar één keer, pap.”

Het is nu twee weken later en als we naar opa gaan worden we aangenaam verrast. Hij loopt met een wandelstok in plaats van de rollator en heeft z’n stem weer terug. “Ik heb eindelijk een paar dagen achter elkaar goed geslapen.” De medicijndispenser helpt, hij heeft minder honger, valt niet in slaap voor de televisie en kan het hele stuk naar de tandarts gewoon lopen met een wandelstok.
“Wow, wat een verschil” zeg ik. Hij lacht. “Vandaag heb ik zelfs even op de hometrainer gezeten.” En als hij een terechte klaagzang wil beginnen over hoe slecht de medicatie voor hem is geweest, zeg ik: ”Laten we gewoon dankbaar zijn dat het nu een stuk beter is.”
“Ja”, zegt hij. “Keep smiling.”
