Ik negeerde de voortekenen op de heenreis. Gedachteloos reed ik langs afslagen als Spa, Vittel, Chaudfontaine en Bastogne. Te druk met het welzijn van Teddie, de pup die voor het eerst een lange autoreis maakte. Dat de gemiddelde Fransman z’n rijbewijs blijkbaar bij de apotheek koopt, zorgt ook niet voor lekker een beetje van het landschap genieten op de snelweg.
Op de plek van bestemming kwam de aap snel uit de vakantiemouw: we zouden weken als Romeinen leven. Twee gezinnen die van ontbijten (adieu ‘petit’ dejeuner) een ware sport maken en op z’n minst drie verschillende soorten water ( plat, licht bruisend én veel bubbels) in huis halen.
Teddie raakte de eerste dagen aan de schijterij van het Franse drinkwater, dus die ging ook over op fles. Ze bleek een lichte voorkeur voor bruisend te hebben (voordat je reageert met ‘doe niet zo decadent’: waterflessen kosten geen drol in Frankrijk, excusez le mot).
De tijd tussen lunch en diner doodden we al zwemmend, spelletjes spelend en lezend, bij een zinderende vijfendertig graden plus. We hadden het fruit en yoghurt met zelfgemaakte granola nog niet achter de kiezen of zochten op Insta een recept voor watermeloen-salade. Hittegolf of niet: er moet wel vers, gezond en lekker gegeten worden.
Geheel passend bij het vakantiethema ontstond de eerste ruzie aan de eettafel. Het onderwerp: een dreigend voedseltekort. Iets met Maria Hemelvaart, gesloten supermarkten en een lullig restje stokbrood. Luxeproblemen, ik weet het. Na een week heerlijke harmonie, kregen mijn dochters tijdens het ontbijt ruzie over wie nu een croissant of pain au chocolat had besteld. Net toen ik tussenbeide wilde komen, sprong de enige man in ons midden plots uit z’n vel. Hij schreeuwde: “Je kunt niet communiceren!” In de woordenwisseling die daarop vlak naast me aan tafel ontstond, lieten mijn dochters zich niet wegzetten.
De leeuw van de roedel mocht dan wel gaan brullen maar hallo: zij waren eerst! Zij eisten hun territorium op door nóg harder te gillen. Ik liet ze, want je moet de ander op z’n minst kunnen verstaan als je je gelijk wilt halen. Bovendien trokken ze al dagen met elkaar op, ze waren elkaar even zat en dat mocht best even uit. Zo vlogen binnen no time de verhitte emoties over tafel in een kakofonie aan geluid. De jongste van zeven lachte, ik bedekte geïrriteerd m’n oren.
Om de frustratie kracht bij te zetten gooide m’n beste vriend het grote lichaam in de strijd. Hij stond op, smeet zijn stoel met een ruk naar achteren en vertrok met ferme reuzenpassen richting keuken. Het bord met kontje stokbrood stevig in de handen. We keken hem verbaasd na. Bij het eerste oogcontact schoten we in de lach. “O, mama, je had jezelf moeten zien”, grinnikte Puck. “Je hield je handen tegen je oren, je leek wel een klein kind.” “Ja,” antwoordde ik. “Ik dacht even dat ik in The Godfather was beland en een geweer moest trekken.”
Na de opklaring verdeelde ik de overgebleven pain au chcolat en schonk wat thee in. Ineens stond hij weer aan tafel, de ontplofte goedzak, de aartsvader van ons Franse samenzijn. Lachen behoorde nog niet tot de mogelijkheden, maar hij was duidelijk in ontspannen staat. Hij nam rustig plaats, schoof de stoel aan tafel en zei droog: “Mag ik dan nu mijn pain au chocolat?” Het werd muisstil, de kinderen keken me schuldbewust aan, waarop ik m’n liefste toon aansloeg en zei: “O, je bedoelt de laatste die in het mandje lag? Die heb ik zojuist tussen de kinderen verdeeld.”
“Ik heb hem nog nooit zo hard zien lopen”, zei Charlie droog toen de patron twee minuten later in een noodvaart de berg afscheurde. Hij ging boodschappen doen bij de enige supermarkt die wél open bleek: een Intermarché ruim dertig kilometer verderop langs de Rôhne. Van schrik bleef hij de hele middag weg. Gelukkig had hij wél stokbrood bij het avondeten.