Achtergrond

‘Hoe houdt een mens dat vol: een volwassen kind dat maar niet uit huis gaat’

Ja, woningnood. Ja, idioot hoge huurprijzen. Maar als je dan toch moet dealen met thuiswonende kinderen van twintig (of dertig!), hoe houd je dat dan vol? “Spreek je verwachtingen uit en stel grenzen. Je moet zorgen dat je uit die verzorgende rol komt.”

Laatst verkocht ik een kledingkast via Marktplaats. De vrouw die hem kwam kopen, zag er afgepeigerd uit. “De kast is voor mijn zoon,” zei ze, “die gaat binnenkort op kamers. Hij weet het alleen zelf nog niet.”
Je zal het maar hebben: een volwassen kind dat maar niet uit huis gaat. Daar zit hij dan (of zij, maar volgens de cijfers zijn het meestal mannen): allang volwassen en nog steeds in datzelfde kinderkamertje. De voetbalplaatjes zijn verruild voor lege bierblikjes, op de grond slingeren dezelfde sokken maar dan drie keer zo groot. En ja, hij speelt nog steeds Call of Duty. Natuurlijk, dat is ergens ook gezellig. Altijd iemand in voor een praatje, nooit een stil huis. Maar het is ook precies dat: nooit een stil huis. Het vooruitzicht van die gedroomde eigen tijd, dat je vroeger door puberruzies heen sleepte, wordt dat eigenlijk ooit werkelijkheid? “Ik ben nog nooit zó vrij geweest”, zei Margriet-hoofdredactrice José Rozenbroek onlangs in de podcast Wolf over haar leven als zestiger. Maar als je eeuwig met je kinderen onder één dak verblijft, waar blijft die vrijheid dan?
“Ik stik erin”, vertelde een kennis over het effect van haar thuiswonende tweeling. De hele dag door maken ze ruzie, die zij steeds probeert te sussen – en dat al 25 jaar lang. Een bevriende moeder uit de buurt, ik ken haar niet anders dan warm, zorgzaam en optimistisch, duidt haar volwassen kostgangers standaard aan met ‘dat kutkroost’. “Altijd lopen ze alles maar op te vreten, nooit kopen ze eens iets zelf. En doen ze dat wel, dan vliegen de tikkies me om de oren.” In de Franse film Tanguy gaat een vrouw nog een stapje verder. “Vannacht droomde ik dat ik hem vermoordde”, fluistert ze tegen haar psychiater. Met ‘hem’ bedoelt ze haar lapzwanzerige, inwonende zoon van 28. “Dat is normaal”, antwoordt de psychiater kalmpjes.
Dit zijn geen uitzonderingen meer. Uitvliegen lukt namelijk steeds minder vaak. Van de jongeren tussen de 18 en 35 die in 2021 het huis uit wilden, was twee jaar later slechts 45 procent daadwerkelijk vertrokken. En dat percentage daalt. Tussen 2015 en 2017 slaagde nog 51 procent erin om een woning of studentenkamer te vinden, meldt de Volkskrant op basis van cijfers van het CBS. Meer dan de helft van de jongvolwassenen woont dus nog thuis, terwijl ze liever zouden vertrekken. Dat gaat, als je even rekent, om honderdduizenden jonge mannen en vrouwen. En om evenveel vaders en moeders. Wat zijn dit voor Italiaanse toestanden? Hoe heeft het zover kunnen komen?

DE ECHTE OORZAAK
Dankzij het woningtekort, is het korte antwoord. Om dat voor alle woningzoekenden op te lossen, moeten er de komende 25 jaar één miljoen woningen worden bijgebouwd. Om na te gaan hoe dat tekort is ontstaan, is het goed om eerst maar even de olifant in de kamer te benoemen: migratie heeft wel invloed, maar is niet dé oorzaak. De meeste mensen die naar Nederland komen, doen dat ­tijdelijk: voor werk of studie. Slechts 11 procent van de totale groep migranten is asielzoeker en wil permanent blijven. Dat mag alleen als ze een verblijfsvergunning ­krijgen en dat gebeurt bij minder dan de helft. En ja, uiteindelijk hebben deze statushouders dan, na gemiddeld zeven jaar wachten in een azc, recht op een sociale huurwoning. Een woning die ze, in tegenstelling tot anderen, niet mogen weigeren. Voor Nederlanders die al lang op de wachtlijst staan en zo een woning mislopen, voelt dat misschien oneerlijk. Maar in 2023 ging krap acht procent van de vrijgekomen sociale huurwoningen naar status­houders. Meer dan negentig procent is dus beschikbaar voor alle anderen. Wat dan de echte oorzaak van het tekort aan huizen is? Dat moeten we zoeken bij het politieke beleid. In tegenstelling tot de jaren ervoor, is er al veertien jaar bijvoorbeeld geen ­ministerie voor wonen meer. In 2010 hief toenmalig minister Stef Blok het op: de woningmarkt was af, vond hij.
Terugkijkend begonnen de problemen al met de bankencrisis in 2008: de bouw viel stil, bouwbedrijven gingen failliet en veel bouwvakkers zochten ander werk. Daarnaast bleek er een administratief foutje gemaakt: het aantal huishoudens dat er in Nederland volgens de prognoses pas in 2040 zou zijn, was er al in 2018. Onder andere door de ­toename van het aantal single huishoudens, scheidingen en ouderen die langer zelfstandig blijven wonen. Tegelijkertijd zorgen het overvolle stroomnet, hoge grond- en bouwkosten, een tekort aan bouwpersoneel, het stikstof­beleid en te weinig bouwlocaties voor te weinig nieuwbouw.
Bovendien willen onze kinderen tegenwoordig liever kopen dan huren. Maar ja: hoe begin je daaraan als twintiger, nu een koophuis in Nederland gemiddeld vijf ton kost? En zo komt ook dit publieke probleem helaas weer neer op de dikte van je eigen portemonnee.
Er zíjn ouders die samenwonen met hun volwassen kind wél gezellig vinden. Alleen blijken zij opvallend vaak een eigen etage voor dat kind te hebben ingericht of een tiny house in de tuin te hebben gebouwd. Tja, dan is de kans dat je gek van elkaar wordt een stuk kleiner. “Heb je weleens aan een rijke vriend gedacht?”, grapte toenmalig minister Hugo de Jonge tegen een wanhopige thuiswoonster (geen studieschuld, flink wat spaargeld) die desondanks geen huis kon kopen. Oei, pijnlijk. Dan toch maar een tijdje huren, zou je zeggen? Haha! Particuliere huur is onbetaalbaar voor de meeste starters. En de wachtlijsten voor sociale huur zijn ongeveer zo lang als je kind oud is. Geen wonder dat niemand meer uitcheckt bij hotel mama.

IN DE WEG
Fransje (61) is moeder van drie twintigers en in het bezit van een huis van krap honderd vierkante meter. Natuurlijk had ze het vroeger héél anders voor zich gezien, vertelt ze. “Rond hun twintigste gaan mijn kinderen de wereld ontdekken, dacht ik lang. Tegen die tijd zou ik zelf kleiner gaan wonen en lekker vaak gaan wandelen in Engeland of Schotland.” Maar het liep anders: haar zoon (23) en dochter (27) wonen nog thuis, het derde kind (25) heeft net een kamer gevonden. Tijdelijk. “Het zijn lieve kinderen, natúúrlijk zijn het lieve kinderen, maar we zitten elkaar inmiddels erg in de weg. ’s Avonds op de bank, met die lange lijven en dan heel hard voetbal aan, terwijl ik gewoon rustig Oogappels wil kijken. Maar vooral mentaal. Ik ben ernstig ziek geweest en mijn dochter voelt zich nog steeds erg verantwoordelijk voor me, terwijl ik denk: laat me, ik trek wel aan de bel als ik je nodig heb.” Omgekeerd werkt het ook averechts, vertelt Fransje. “Een vervelende baan, gedoe met vrienden; alle frustratie en verdriet brengen ze net als vroeger gewoon weer mee naar huis. Ik hoef het allemaal niet meer te weten. Rust en stilte, dat is alles wat ik wil.”