
De weg naar haar ware zelf was geplaveid met boze familieleden, pesterijen op school en – triggerwarning – een suïcidepoging. Piepjong is ze nog, maar eindelijk mag Shivaniya Aditi Bahadoer (23) zijn wie ze is.
“Ik ben geboren als jongetje, maar al in groep twee voelde ik dat er iets niet klopte. Op school trok ik tijdens verkleedpartijtjes boerinnen- en feeënjurken aan. Thuis droeg ik het liefst de rokken, hakken en jurken van mijn zus en moeder. Mijn familie dacht dat het een fase was, maar vanbinnen wist ik al dat het dieper ging dan dat. In groep zeven kwam ik erachter dat het meer was dan alleen verkleden en me anders voelen: ik werd verliefd op een jongen uit de klas. Ik vertelde het aan mijn juf, die me doorverwees naar de schoolmaatschappelijk werkster, Mireille. Niet alleen daarom trouwens, ook thuis speelde er veel dat van invloed was op mijn doen en laten.
Ik ben geboren in Suriname. Toen ik anderhalf was, verhuisde ik met mijn ouders, broer en zus naar Rotterdam. Al snel daarna volgde de scheiding van mijn ouders. Mijn vader speelde sindsdien geen actieve rol meer in mijn leven en inmiddels is hij overleden.
Mijn moeder kreeg een relatie met een man die mij mishandelde. Veel gesprekken met Mireille gingen daarover, ze werd een vertrouwenspersoon. Ik vertelde haar dat ik op jongens viel, maar tegelijkertijd voelde ik dat ik niet homoseksueel was. Ik wilde dat de jongens uit de klas naar mij keken zoals ze naar meisjes keken, met me omgingen zoals ze met hen omgingen. In mijn laatste jaar van de lagere school vroeg Mireille: ‘Hoe zie je jezelf in de toekomst?’ Ik realiseerde me dat ik mezelf als vrouw zag, met lang haar en make-up, en biechtte op dat ik liever een meisje wilde zijn. Maar zover ik wist, kon dat niet. Toen vertelde Mireille dat dat wél kon, dat je in transitie kunt gaan. Ik wist niet wat ik hoorde, trans-zijn kende ik niet. Thuis had ik niet verteld dat ik op jongens viel. Ik wist dat mijn familie niet goed zou reageren, ook omdat niemand in mijn familie openlijk queer was.”
Noodkreet
“Intussen werd ik op school gepest omdat mijn klasgenootjes doorhadden dat ik jongens leuk vond. Tijdens gym zei ik: ‘Als jullie mij blijven pesten, spring ik uit het raam.’ Die noodkreet kwam terecht bij mijn juf, de directeur en Mireille, die het noodzakelijk vonden om dat met mijn moeder te bespreken. Ze nodigden ons uit voor een gesprek op school, waarin mijn moeder te horen kreeg dat ik gepest werd omdat ik homoseksueel was. Ze keek me aan en vroeg of het waar was. ‘Deel maar wat je met mij hebt gedeeld’, zei Mireille. Ik vertelde mijn wens: dat ik het liefst een meisje wilde zijn. Mijn moeder was in shock. Ze gaf Mireille de schuld en zei: ‘Jij hebt op mijn zoon ingepraat.’
Toen we thuiskwamen, flipte mijn moeder. Ze zei dat ik aandacht tekortkwam, haar pijn wilde doen en de reputatie van de familie omlaag wilde halen. In de Surinaams-Hindoestaanse cultuur bestaat de uitdrukking ‘manai ka boli’, wat zullen de mensen zeggen? Daar was ze het bangst voor. In onze gemeenschap is het belangrijk niet af te wijken van de norm. Wat me uit die periode het meest is bijgebleven, is dat ze ging bidden. Huilend riep ze: ‘Hoe kan het dat God mij zo’n kind heeft gegeven?’ Ze vroeg God om genezing voor mij en lichtte de familie in. Alleen mijn tante en nichtje hadden begrip voor mij.
Door de gespannen situatie tussen mij en de vriend van mijn moeder kwam ik in de jeugdzorg terecht en kreeg ik een gezinsvoogd toegewezen. Zij zou meekijken met ons gezin, maar ook met mij meegaan naar het ziekenhuis voor het transitietraject. Want mijn moeder weigerde dat. Van mijn twaalfde tot vijftiende heb ik gesprekken gevoerd bij het Leids Universitair Medisch Centrum en LUMC Curium op de genderpoli. Voordat ik met een medische transitie kon starten, moest vastgesteld worden dat ik genderdysforie heb. Dat betekent dat je psychisch lijdt doordat je genderidentiteit niet overeenkomt met je geboortegeslacht. De eerste gesprekken ging de gezinsvoogd met mij mee. De autoritten met haar, maar ook de gesprekken met de therapeuten, psychologen en gedragswetenschappers, waren fijn. Eindelijk mocht ik vertellen waarom ik een meisje wilde zijn. Door al die gesprekken wist ik zeker: dit is wat ik wil. Uiteindelijk ging mijn moeder ook mee naar de gesprekken – ik denk vooral omdat de professionals haar duidelijk hadden gemaakt dat dat belangrijk was. Door haar bereidwilligheid aan het proces mee te werken kwam er een einde aan de begeleiding van de gezinsvoogd.
Op mijn vijftiende is officieel de diagnose genderdysforie gesteld. Mijn moeder en zus waren bij het gesprek. Ik was ontzettend blij en opgelucht. Nu heb ik mensen achter me staan, dacht ik. Het ziekenhuis, de genderkliniek – ze luisteren naar mij. Om te beginnen met de medische transitie, moest mijn moeder een document ondertekenen omdat ik minderjarig was. Mijn broer, zwager, tantes en ooms zeiden echter tegen haar dat dat ze niet moest tekenen. Zij vonden dat ik als man door het leven moest blijven gaan.”
Stiekem gefilmd
“Op de middelbare school ben ik ook jaren gepest, hoewel ik met de meiden uit de klas goed kon opschieten, en een aantal van hen zelfs in vertrouwen had genomen. Maar tot ik in transitie ging, mocht ik van het schoolbestuur niet vertellen dat ik een meisje wilde zijn. Ik mocht geen nagellak en make-up dragen en geen meisjeskleren aan. Tijdens gym moest ik me omkleden bij de jongens. Ik voelde schaamte en wilde niet dat de jongens mij halfnaakt zouden zien, dus kleedde ik me altijd om achter een muurtje in de douche.
Op een dag, 31 mei 2017, was ik me aan het omkleden toen ik zag dat een klasgenoot mij aan het filmen was. Die avond heb ik een overdosis slaappillen van mijn moeder genomen. Het voelde alsof ik vastzat. Als mijn moeder het document niet zou tekenen, moest ik tot mijn achttiende met mijn transitie wachten. Het niet kunnen zijn wie ik wilde zijn, thuis en op school, het werd me te veel. Mijn moeder heeft me gevonden en de ambulance gebeld. Dat heeft mijn leven gered. Nadat ik weer was bijgekomen, zei mijn tante tegen mijn moeder: ‘Door toedoen van de familie zijn we bijna een kind verloren.’
Vanaf dat moment ging het beter. Vanwege mijn suïcidepoging werd er opnieuw een melding gedaan bij jeugdzorg; ik kreeg weer een gezinsvoogd. Zij stapte naar het schoolbestuur en zorgde ervoor dat ik me eindelijk mocht uiten zoals ik wilde: met meidenkleding, gelakte nagels, een handtas … Ook mocht ik mijn transitie delen met mijn klasgenoten. Omdat mijn moeder het document nog steeds niet had getekend, kreeg ze de keuze: óf tekenen, óf ik zou naar een pleeggezin gaan. Toen heeft ze haar handtekening gezet, maar het was dubbel: tekende ze omdat ze mij accepteerde, of om te voorkomen dat ik uit huis werd geplaatst? Toch voelde het na al die jaren alsof mijn moeder eindelijk achter me stond.”
VERDER LEZEN?
- Krijg onbeperkt toegang tot alle artikelen
- Lees LINDA.magazine online
- Geniet van te gekke winacties en lekkere puzzels
- Maandelijks eenvoudig opzegbaar



































