Word member
Heftig

Liselotte groeide op in een sekte: 'We zagen animatievideo's waarin iedereen doodging behalve de leden'

Liselotte van Rijthoven (27) groeide op in een sekte en vond daar niks geks aan. Totdat ze eruit werd gegooid en haar wereld op z’n kop stond. “Ik had vier jaar geen contact met mijn ouders.”

“Ik ben opgegroeid in Den Haag, met mijn vader, moeder en jongere broertje. We woonden in een fijn huis met een hond, vissen en een konijn. Mijn vader werkte op kantoor, mijn moeder zorgde veel voor ons. Van buitenaf zag ons leven er waarschijnlijk best normaal uit. Maar vanbinnen draaide alles om het geloof.
Toen ik werd geboren, maakten mijn ouders al deel uit van een streng christelijke geloofsgemeenschap waarin het leven volledig in het teken staat van de Bijbel – ik ben er dus van baby af aan in opgegroeid. Als kind zat ik al in de wagen bij de ‘vergaderingen’, zoals de bijeenkomsten werden genoemd waarin de Bijbel wordt besproken. Al heel jong krijg je mee dat jij anders bent dan de rest. Overal werd ons ingeprent dat wij niet waren zoals ‘de wereld’, zoals de leden van de organisatie iedereen buiten het geloof noemden. Je werd erop voorbereid dat je naar school zou gaan als vertegenwoordiger van God. Soms kreeg je animatievideo’s te zien over het einde van de wereld, waarin iedereen doodging behalve de leden.

Thuis zaten we vroeg aan tafel, vaak al rond half zeven, en dan kwam mijn vader naar beneden. Eerst baden we, daarna gingen we eten en lazen we de dagtekst: een kort stukje uit de Bijbel met uitleg. De rest van de dag volgde hetzelfde ritme van school, eten, buitenspelen en ’s avonds weer vergaderingen of Bijbelstudie. Feestdagen zoals kerst en Pasen mochten we niet vieren, ook onze verjaardag niet. Mijn ouders bedachten daar op de basisschool wel een oplossing voor: mijn broertje en ik mochten een keer per jaar op een andere dag trakteren en klasgenootjes uitnodigen. Dat maakte het lichter, maar iedereen wist wel dat wij anders waren. Mijn ouders legden op school ook expliciet uit waarom wij niet meededen. Binnen de gemeenschap gold het als een van je belangrijkste taken om andere mensen over te halen zich ook aan te sluiten, dus zulke gesprekken waren niet alleen een uitleg, maar ook meteen een kans om reclame voor het geloof te maken.

Voor een buitenstaander klinkt dit leven misschien streng, maar voor mij voelde het destijds niet zo. Er was ook een hechte gemeenschap, met vrienden, logeerpartijen en activiteiten; soms met mensen uit het hele land of zelfs uit het buitenland. Het voelde als een eigen wereld. Toch merkte ik naarmate ik ouder werd steeds sterker wat ik niet mocht. In het begin waren mijn ouders nog relatief relaxed, maar gaandeweg werden ze steeds strenger. Op de basisschool mocht ik nog mee op groep-acht-kamp, maar op de middelbare school niet meer: geen brugklaskamp, geen uitwisselingen, niet logeren bij ongelovigen. Ik had bijvoorbeeld een penvriendin in Slovenië, met wie ik eigenlijk een uitwisseling zou doen, maar dat mocht niet. Ik heb haar uiteindelijk nooit in het echt ontmoet. Terwijl klasgenoten samen schoolkampherinneringen maakten, zat ik op school in een computerruimte vervangende opdrachten te doen. Als iedereen terugkwam, had ik niets meegemaakt. Maar zelfs toen dacht ik: dit zijn de offers die ik moet brengen. Zo diep zat dat erin.
Loyaal zijn zat ’m ook in kleine dingen. In hoe je eruitzag, bijvoorbeeld. Ik hield van kleding, maar voor bijeenkomsten gold een duidelijke dresscode: als vrouw een rok over de knie, nette schoenen, geen decolleté. Ook daar­buiten bleef dat gelden – je was altijd vertegenwoordiger van God. Daar moest je je goed aan houden, want de sociale controle was groot. Mijn beste vriendinnetje werd bijvoorbeeld op een gegeven moment aangesproken in haar geloofsgemeente. Haar ouders werden apart genomen omdat een vader zijn zoon had betrapt terwijl hij zich aftrok. En dat was dan haar schuld, omdat haar rok te strak zou zijn geweest tijdens de vergadering. Dat is echt gestoord, maar wel de cultuur die daar heerst.

‘WE ZAGEN ANIMATIEVIDEO’S WAARIN IEDEREEN DOODGING BEHALVE DE LEDEN’

Mensen vragen vaak: wanneer begon je te beseffen dat het niet normaal was? Maar eerlijk gezegd begon dat bij mij pas echt nadat ik eruit was gegooid. Zolang je erin zit, is er bijna geen ruimte om te denken: wat vind ík hier eigenlijk van? Je leeft in een systeem dat alles al voor je heeft ingevuld.
Ik was negentien toen ik seks had voor het huwelijk. Binnen de gemeenschap waarin ik opgroeide gold dat als een grote zonde. Ik raakte volledig in paniek, had echt krankzinnige stress en was er heilig van overtuigd dat God daar letterlijkbij was geweest, dat Hij alles zag. Uiteindelijk vertelde ik het, in delen, aan mijn ouders. Zij zeiden meteen dat ik een afspraak moest maken met de ouderlingen – mannen binnen de gemeenschap die een soort leidinggevende rol hebben. Dan kom je ’s avonds alleen naar de zaal, loop je een gang door naar een kleine vergaderruimte, en daar zitten drie oudere mannen tegenover je die je alles moet vertellen. Daarna verlaten ze de kamer, gaan ze overleggen en bidden, en komen ze terug met een vonnis. In mijn geval: uitsluiting. Volgens hen had ik niet genoeg berouw getoond. Ik werd dus uitgesloten omdat ik seks had gehad voor het huwelijk. Daardoor kwam er in één keer ontzettend veel op me af: niet alleen schuld en schaamte, maar ook ­verwarring, angst en een enorm gevoel van onveiligheid. Maar op het moment zelf zat ik daar vooral verdoofd. Ik deed wat ik dacht dat ik moest doen, zonder nog ruimte te voelen voor mijn eigen emoties. Wat het nog heftiger maakte, was dat het mentaal al heel slecht met me ging. Ik woonde op datmoment niet meer thuis, maar bij een tante op zolder.Daarna ging ik niet meer naar school. Ik deed een suïcide­poging en werd vervolgens opgenomen in een ­psychiatrische inrichting. De week dat ik daaruit kwam, werd ik uitgesloten. Dus terwijl ik eigenlijk nog amper ­overeind stond, viel mijn hele wereld weg.

Na mijn uitsluiting hadden mijn ouders en ik vier jaar geen contact. Zij geloven dat iemand negeren en buitensluiten juist liefdevol is: dan zou diegene sneller terugkeren naar de organisatie. Ik ben toen gaan samenwonen met mijn vriend van destijds. We hebben van alles gedaan om te overleven: illegaal onderhuren, in de woonkamer van iemand anders slapen op een opklapbed, werken, school afmaken. Ik stond nog steeds in de overlevingsstand, dus mentaal was ik nog lang ziek. Ik was bang voor mensen, bang voor de buitenwereld, want ik had altijd gehoord dat alles buiten Gods organisatie slecht was en dat het daar alleen maar slechter met je kon gaan. Ik kreeg pleinvrees en zat vooral veel binnen. Ik heb therapie geprobeerd, maar ik had vaak het gevoel dat ik niet echt werd begrepen. Omdat ik niet openlijk durfde te praten over mijn achtergrond – ondanks alles wilde ik de organisatie niet in een kwaad daglichtzetten – werd er vaak langs de kern heen behandeld.Daardoor kreeg ik niet de hulp die ik eigenlijk nodig had.
Wat me uiteindelijk het meest heeft geholpen, was praten met mensen die dicht bij me stonden. Mijn vriend heeft echt uren en uren naar me geluisterd. Daarnaast hielp het me om creatief bezig te zijn: schrijven, liedjes en teksten maken, later ook theater. Ik had geluk dat mijn beste vriendin ook al weg was uit het geloof, net als een andere vriend die ik van vroeger kende. Daardoor ontstond er een klein ­clubje van mensen die begrepen waar ik vandaan kwam. We zaten dan samen dingen terug te halen: ‘Zeiden ze nou altijd dit? En dat?’ Toen ik eenmaal buiten de sekte stond, begon ik ­inhoudelijk vragen te stellen. Dat waren in het begin nog heel ‘droge’ vragen: wat staat er nou precies in de Bijbel? Klopt de uitleg die wij kregen wel? Waar komt dit vandaan? Later ging het meer over de hypocrisie van de ­organisatie: de waarden die worden gepredikt versus hoe er in de ­praktijk wordt gehandeld. Ik begon te zien hoeveel sociale controle en hiërarchie erin zit. En dat was een pijnlijk proces, want het betekende ook dat mijn hele werkelijkheid opnieuw moest worden opgebouwd.

‘OOGCONTACT MAKEN, WANNEER PRATEN: IK WIST NIET MEER WAT GEPAST WAS’

Ik noemde dat voor mezelf de ‘herprogrammering van mijn brein’. Ik had letterlijk een schrift waarin ik probeerde uit te pluizen: wat voel ik, waar komt die impuls vandaan, is dit van mij of is dit aangeleerd? Alles moest opnieuw worden bekeken. Sociale omgang ook. Ik wist soms niet meer wat gepast was: te veel praten, te weinig praten, oogcontact maken, ruimte innemen. In gesprekken zei ik vaak meteen: “Hoi, ik kom net uit een sekte, dus als ik raar doe, dan weet je waarom.” De nasleep van zo’n jeugd houdt niet op zodra je fysiek weg bent. Het werkt op heel veel lagen door: in hoe je denkt, hoe je contact maakt, hoe veilig je je voelt, wat je gelooft over jezelf. Toen ik wat meer ademruimte kreeg, ben ik gaan doen wat vroeger eigenlijk niet echt een serieuze optie mocht zijn: muziek maken, theater maken, kunst proberen te maken van mijn leven. Als kind wist ik al dat muziek een droom was die mocht bestaan zolang het maar een droom bleef. Zangeressen en actrices werden als prostituees gezien. Juist daarom voelt het voor mij nu extra belangrijk om daar wél voor te gaan.
En muziek is voor mij niet alleen werk of ambitie, maar ook therapie, een vorm van community – een plek waar ik me verbonden voel met andere mensen, en minder alleen. Mijn liedjes zitten vol met mijn verleden. Elk nummer voelt als een soort kamer waarin een moment, gevoel of herinnering zit opgeslagen. Vaak zijn de teksten best zwaar of verdrietig, terwijl de muziek eronder juist vrolijk klinkt. Dat contrast herken ik uit hoe ik vroeger was. Op dit moment werk ik aan mijn Nederlandstalige album Grabbelton, dat ik samen met mijn vriend Guus van Diemen heb gemaakt. Op 1 mei is mijn nieuwe single Left uitgekomen op Spotify, onder de naam Lilo. Dat mensen mijn teksten op hun eigen manier kunnen interpreteren, maakt het ietsje minder spannend; alsof ik me blootgeef, maar toch beschermd ben. ­Tegelijkertijd zijn er ook nummers die ik soms niet live durf te spelen, omdat ze op dat moment te dichtbij komen.

Mijn band met mijn ouders is inmiddels weer veel beter. In 2024 kreeg ik een psychose, en toen hebben ze me echt ondersteund. Dat heeft iets hersteld tussen ons. We hebben nu een gezinsgroepschat, sturen elkaar grappige dingen, bellen af en toe. Toch vinden ze mijn leven nog steeds moeilijk en hopen ze eigenlijk nog altijd dat ik terugkom. Maar er is weer contact en vertrouwen, en daar ben ik ­dankbaar voor. Al blijft dat spannend, want binnen zo’n organisatie kan er altijd weer iets veranderen in wat wel en niet mag. En ja: ik vier inmiddels gewoon mijn verjaardag. In februari was ik nog jarig. De eerste keer dat ik dat echt vierde, was toen we met vrienden gingen picknicken in ­Pijnacker. Het voelde leuk – niet magisch of wereld­schokkend, maar gewoon gezellig. Uiteindelijk is het ook maar een dag. Maar wél een dag waarop je mag zeggen: ik ben er, en ik wil graag dat jullie er ook zijn.”•

Lilo: @lilosliedjes, Guus: @u__music_

Worstel je met suïcidale gedachten of maak je je zorgen om iemand anders? Praat erover. Bel 24/7 anoniem en gratis naar 0800-0113 of chat op www.113.nl.

MEER MEIDEN

DEALS

LIFESTYLE

Promotional Border
Funny columns, persoonlijke verhalen en lekkere deals in je inbox.

Funny columns, persoonlijke verhalen en lekkere deals in je inbox.

Meld aan

EXCLUSIEF VOOR MEMBERS