Het was de week van de langverwachte documentaire over de comeback van André Hazes. Maar er zag nog een bijzonder project van een muzikaal icoon het levenslicht: die van George Michael.
De nieuwe biografie ‘Een Leven’ schijnt een nietsverhullende blik op het getroebleerde leven van een popartiest die werkelijk alles had. Maar toch nergens tijdens de rit gelukkig kon worden.
Want terwijl de carrière van George Michael na de doorbraak met Wham! aan elkaar hangt van hoogtepunten, is de zanger op de achtergrond vooral bezig met zichzelf stukje bij beetje af te breken. Iets wat in 2016 uiteindelijk lukt als hij op z’n 53ste echt veel te vroeg sterft.
Voor zijn boek spreekt schrijver James Gavin ruim 200 mensen die in meer en mindere mate met George Michael te maken hebben gehad. Vrienden, collega’s, muziekbobo’s. En allemaal zeggen ze hetzelfde: er was een spetterende persoonlijkheid op de bühne, maar een diepongelukkige schim van zichzelf in het dagelijks leven.
George Michael deelde naar hartelust handtekeningen uit en ging op de foto met fans, maar zijn evenbeeld in de spiegel aankijken, dat heeft hij nooit gekund. En dus verloor hij zichzelf in drank, drugs en bakken vreten. Zijn laatste jaren stonden in het teken van zwaar overgewicht en verslavingen aan zo’n beetje alles.
Hoe vreselijk het levensverhaal ook is om te lezen, het maakt van George Michael wél een echt mens. Daar smullen we als publiek ergens van, om te horen dat zelfs de groten der aarde niet onaantastbaar zijn. Dat geld niet gelukkig maakt en dat sommige jeugdtrauma’s echt te groot zijn om ooit te overstijgen. Triest, maar wel waar.
Ik vind het vooral hartverscheurend dat George Michael niet het homo-icoon heeft kunnen uithangen omdat ie zich zo enorm voor zichzelf schaamde. En nooit echt van zijn succes genoot. Laten we daarom wat liever voor elkaar zijn. En niet meteen iemand veroordelen voor wie ze zijn of wat ze doen. Het is namelijk écht nooit alleen maar goud wat er blinkt.
