De laatste keer dat ik in de metro zat is zo lang geleden dat ik het me niet kan heugen. Niet dat ik neerkijk op die manier van publiek transport: ik woonde simpelweg niet in de buurt van een halte. Tegenwoordig is dat anders en ben ik groot fan.
Het eindpunt van de hoofdstedelijke Noord-Zuidlijn bevindt zich op fietsafstand van mijn huidige huis en blijkt je pijlsnel naar de stad te kunnen vervoeren. In een kwartiertje sta je midden in het centrum en ben je slechts twee á drie euro verder. Tot zover niets aan de hand.
Waar je wel rekening mee dient te houden zijn de andere mensen in de metro. In de afgelopen maand heb ik al tussen oefenende conservatoriumstudenten gezeten die met zijn vijven het hele rijtuig op zijn kop zetten, een feestje van jewelste, er zat er iemand met haar rugtas tussen de deuren vast terwijl zij zelf binnen stond, geen feestje, maar zeker vermakelijk aangezien het allemaal goed afliep, én kwam ik in contact met Noffel de Kauw.
Op vrijdagavond kwam ik na opnames met de metro terug vanuit de binnenstad. Tegenover me zat een man met een stokbrood in zijn handen en een pak sinaasappelsap naast zich op de bank. Aan één kant ontbrak het kapje van het brood, doordat de man er steeds aan zat te pulken. Om de haverklap peuterde hij een klein stukje brood los en stak het in de binnenzak van zijn winterjas. Een jas die me veel te warm leek voor de tijd van het jaar. Het type lange gewatteerde slaapzak dat je warm houdt bij temperaturen onder het vriespunt.
Het enige wat er tussendoor gebeurde, is dat hij af en toe een slok van zijn drinken nam. En daar ging de hand weer: een duim aan de zijkant van het brood, de wijsvinger poerend erin en met de vangst richting zijn jas. Normaal gesproken kom ik het liefst zo snel mogelijk aan op de plaats van bestemming, maar dit intrigeerde me dusdanig dat ik hoopte dat hij nog een paar haltes mee zou rijden.
Na een tijdje won de nieuwsgierigheid het van mijn voornemen om me zo min mogelijk met anderen te bemoeien in het OV. Je weet immers niet wie je voor je hebt en voor je het weet blijkt het iemand met een getroebleerde staat van zijn. Daar gaat vandaag niet over, maar ook die zijn ruim voorhanden in het ondergrondse deel van het stadsvervoer.
“Mag ik misschien vragen waar dat brood steeds naartoe gaat?”
“Noffel”, antwoordde de man zonder te stoppen met zijn routine in het brood.
Zonder me aan te kijken wenkte hij me met zijn hand en opende één zijde van zijn jas. Er was niets te zien, totdat hij weer met een stukje brood richting zijn binnenzak bewoog. Daar piepte een zwarte snavel boven de rand uit.
“Ik vond hem een week geleden aan de voet van een boom, terwijl: eigenlijk is het nog te vroeg, want het broedseizoen is pas sinds deze maand begonnen. Wist ik ook niet hoor, maar ik ben maar online gaan zoeken. Eigenlijk is brood ook niet wat hij moet eten, maar het lijkt me beter dan niks. Ik hou hem tot hij groter is, of als hij wil blijven voor altijd. Zijn slimme beesten hoor!”
Hij maakt aanstalten om uit te gaan stappen. “Wat is een Noffel?” vraag ik als de deuren open gaan.
“Noffel, de crimineel, ken je die niet? Ik vond dat hij zo’n mooie boevenkop heeft, vandaar.”
De deuren sluiten en de metro en ik rijden verder. Ik wil ook een vogel in mijn binnenzak.
