Vanuit mijn bed hoor ik autodeuren slaan. Vrolijke kinderstemmen. De moeder die mopperend nog een keer terug het huis in loopt. Kennelijk is iemand op de achterbank iets vergeten. Ik trek het rolluik iets open en zie de buren vertrekken. De caravan stuitert de verkeersdrempel over voordat hij om de hoek verdwijnt.
Onze straat wordt steeds leger. Alle gezinnen met kinderen gaan tijdens de schoolvakantie weg. Wij hoeven dat niet meer.
Vorig jaar reisden we voor het eerst in september. In de wachtrij voor de veerboot van Zweden naar Rügen stootte ik mijn man aan. “Zo zijn we dus geworden”, zei ik. “Pensionado’s.”
We waren omgeven door grijze hoofden. En bijna allemaal waren ze zojuist uit hun seniorencamper gestapt. Die camper hadden wij dan niet, maar wel de thermoskan waar ze koffie uit schonken – die had ik voor onze roadtrip bij Decathlon gekocht.
Al die mensen beschouwden ons waarschijnlijk als gelijkgestemden. Wie ziet aan ons dat we tot voor kort jonge ouders waren? Jong in de zin van ‘ouders van een jong kind’. Job was dan 17, maar in zijn hoofd werd hij nooit ouder dan een jaar of 3. We keken elke dag SpongeBob, zongen blije liedjes voor hem en maakten hem aan het lachen alsof hij een peuter was. We voerden hem eten met een lepeltje, verschoonden viermaal daags zijn luier en droegen hem door het huis als een baby. Elke zondagochtend lagen we met z’n drieën in het grote bed.
De stap van jonge ouder naar pensionado is nogal groot. Omdat Job zo gehandicapt was, konden we niet langzaam wennen aan een kind dat zich van ons losweekte en op eigen benen ging staan. Toen hij zomaar op een zondagmiddag stierf, stonden we letterlijk met lege handen. We hoefden hem niet verder door het leven te dragen.
Wie waren we nu? Als ex-ouders?
“Nu horen jullie bij ons”, zei een vriend zonder kinderen. In praktische zin klopt dat. Ook hij en zijn vrouw reizen buiten de schoolvakanties. Heerlijk, die lege campings! Maar zij hoeven geen kind te missen omdat ze hem nooit hadden (en, belangrijk: niet wilden). Ik huiver van het beeld van Rob en mijzelf als een kinderloos echtpaar.
Waar horen we dan wel bij? Bij de club van ouders van overleden kinderen. Maar dan niet bij de vaders en moeders die nog een kind over hebben, want die hebben nog altijd een ouderrol te vervullen. Ook niet bij de mensen die een gezond kind verloren, want hun verwachtingen over de toekomst waren heel anders dan die van ouders van een gehandicapt kind. Onze zoon zou nooit afstuderen of trouwen, hij had niet de potentie om een zelfstandig volwassen mens te worden.
“Je was toch ook iemand vóór je Job kreeg?” probeert een vriendin. Ja, de eerste 28 jaar van mijn leven was ik niemands moeder. Probleem is dat de zoon die volgde, me juist tot in elke vezel veranderde. Niet langer was ik zelf het centrum van mijn bestaan, dat werd Job. Teruggrijpen op een jongere versie van mezelf die niet weet wat het is om je zorgen te maken over een kind, wakker te liggen van zíjn gezondheid, van zíjn geluk en uiteindelijk tot kotsens toe verdrietig te zijn om zíjn dood, gaat simpelweg niet.
Dit jaar gaan we opnieuw pas na de schoolvakanties op reis. Voordeel is dat de vluchten lekker goedkoop zijn. We worden weer onderdeel van de grijze massa en het zal wel een keer wennen. Maar liever praat ik niet met mijn medereizigers omdat mijn belevingswereld zo anders is. Ik denk nog altijd in SpongeBob-scènes en kijk door de ogen van een driejarige. Ik verlang naar het parallelle kinderuniversum dat zo lang mijn veilige haven was. Waar ik gewoon ‘mama’ was.
