Rond de 35e week van mijn zwangerschap krijg ik de vraag voorgeschoteld: wat zijn je bevalwensen? Eerlijk gezegd heb ik geen idee. Een bevalling lijkt me niet iets waar je heel veel keuzeruimte in hebt, maar blijkbaar ligt dat tegenwoordig anders. Er schijnen complete, geplastificeerde draaiboeken op tafel te komen. Bevallen in een bad, bij kaarslicht, met yogamuziek of affirmaties op de achtergrond. Alleen vrouwelijke zorgverleners. Zoutlampen. Geen knip. En absoluut niemand die koffiedrinkt.
Als ik er vaker over nadenk, ontstaat er bij mij toch ook een lijstje. Ik wil poliklinisch bevallen bij gedimd licht, ik wil niet dat mijn baby wordt gemonitord met een schedelelektrode en wil dat mijn vriend onze baby als eerste op mijn borst legt. En ik wil geen pijnbestrijding. Vrouwen krijgen al honderdduizenden jaren kinderen zonder. Ik wil me volledig overgeven aan de oervrouw in mij en voelen wat mijn voorgangers in grotten hebben doorstaan. Bovendien ben ik geen pieper. Dat geschreeuw dat je weleens op televisie ziet? Dat overkomt mij niet.
Dan is het moment daar. Op een donderdagochtend rond elf uur voel ik met enige regelmaat iets wat lijkt op menstruatiekrampen. Mijn vriend komt naar huis en we beginnen fanatiek de weeën te timen. Met wat nattevingerwerk en gespeculeer over de verschillende bevalfases berekenen we dat we diezelfde avond rond een uur of negen wel weer thuis zullen zijn. Inclusief gevulde Maxi-Cosi. Een kleine miscalculatie, blijkt achteraf.
Loïs (25): 'Soms schiet ik in de paniek, waarom wilde ik ook alweer een baby?'
De uren verstrijken. De verloskundige komt af en aan, maar mijn ontsluiting lijkt er, ondanks mijn gestuiter op de bevalbal, weinig interesse in te hebben. Pas om elf uur ’s avonds rijden we met vijf centimeter ontsluiting naar het ziekenhuis. Twee uur later is daar precies niets bij gekomen. Mijn vliezen worden gebroken in de hoop dat de weeën krachtiger worden. Als vervolgens blijkt dat ons kind in het vruchtwater heeft gepoept, moet er tóch een schedelelektrode komen. Mijn eerste bevalwens verdwijnt in de prullenbak.
Het breken van mijn vliezen lijkt wel effect te hebben. Weeën volgen elkaar in rap tempo op. Adempauzes verdwijnen. Vier tellen in, zeven tellen uit? Ik ben allang blij dat ik überhaupt nog kan ademen. Na drie uur creperen levert het me precies een halve centimeter extra ontsluiting op. Op dat moment denk ik terug aan al die oervrouwen waar ik zo graag bij wilde horen. Ineens ben ik vooral heel blij dat ik in 2026 mag bevallen. ‘Mag ik alsjeblieft een ruggenprik?’ Daar gaat mijn tweede bevalwens geruisloos van het lijstje. En eerlijk? Wat een verademing.
Ruim vierentwintig uur en een dosis weeënopwekkers later heb ik eindelijk tien centimeter ontsluiting en kijken mijn vriend en ik elkaar opgelucht aan. “Nog maximaal twee uur persen”, zeggen we. Daarna hebben we onze zoon in onze armen.
Loïs (25): 'Ik weet dat mijn zwangere lijf een topprestatie levert, maar vind het aankomen toch lastig'
Langer dan twee uur duurt het inderdaad niet. Al na drie kwartier persen zit er geen beweging meer in. Door zijn sterrenkijkerligging haakt onze zoon vast in het laatste deel van mijn bekken. Zijn hartslag daalt en hij begint te verzuren. “We gaan een vacuümpomp gebruiken en een knip zetten”, zegt de gynaecoloog. Al hadden ze op dat moment voorgesteld mijn been te amputeren: doe alsjeblieft wat nodig is om deze baby eruit te halen.
De vacuümpomp helpt niet. De knip blijft me bespaard. Daarvoor in de plaats krijg ik een spoedkeizersnede. Door mijn gespreide benen zie ik hoe de gynaecoloog onze zoon met volle kracht terug mijn buik in duwt. Nog voor ik goed besef wat er gebeurt, rijd ik richting de operatiekamer. Mijn vriend die onze baby als eerste op mijn borst legt? Ook die wens kan van het lijstje. En daar, onder het felle tl-licht, komt onze zoon Sepp paars en niet zelfstandig ademend ter wereld.
Na een paar dagen ziekenhuis vanwege zijn zware start en een achtbaan aan emoties is er weinig van mijn zorgvuldig opgestelde bevalplan overgebleven. Als iemand me ooit weer vraagt naar mijn bevalwensen, heb ik er nog maar één: zorg dat we er allebei levend uitkomen. De rest zien we wel.
Loïs (25): 'Ik ben bang dat ik door mijn zwangerschap blijvend in een saaie huismus verander'
Niets missen van LINDA.mini? Schrijf je in voor de wekelijkse nieuwsbrief en download de LINDA.mini-app.

















