
Een spontaan bezoek aan een nagelstudio in Los Angeles eindigt voor Nathalie (50) op de eerste hulp van een aftands ziekenhuis, waar ze tussen de drugsverslaafden komt te liggen. En waar blijft haar man toch?
“Na een rit van tien minuten stopte de ambulance bij een vervallen, armoedig ziekenhuis. De stoere broeders die me zojuist hadden vervoerd, hesen me in een rolstoel en reden richting de wachtkamer van de eerste hulp. Daar keek ik mijn ogen uit. De smoezelige ruimte wemelde van de crack- en methverslaafden, mager uitziende hoertjes en daklozen. Ik wilde maar één ding: weg. Zo snel mogelijk. Maar al riep ik tegen het verplegend personeel dat het inmiddels weer prima met me ging, toch werd ik zonder pardon naar een kamer gebracht en op een bed gelegd. Wederom tussen allerlei duistere types, maar nu afgezonderd door een soort douchegordijn. Bezorgd wachtte ik af. Dat ik hier moest liggen was tot daaraantoe, maar mijn kinderen moesten tussen al dat gespuis in de wachtkamer zitten.
Een paar jaar terug maakte ik met mijn gezin een rondreis door het westen van Amerika. De laatste week zouden we doorbrengen in Los Angeles, om de stad te verkennen en aan het strand te relaxen. Tijdens een trip vanaf Venice Beach naar een shoppingmall zag mijn dochter Alisa – toen veertien – langs de kant van de weg een nagelstudioreclame. ‘Ah mam,’ zei ze, ‘zullen we daar onze nagels lekker laten lakken?’ Ik ben normaal niet zo van dat gefrunnik aan mijn handen en voeten, maar vond het wel typisch iets voor onze Amerikaanse vakantie.
Terwijl mijn man Roeland een parkeermeter zocht en onze zoon Renzo, destijds elf, zich vermaakte met zijn telefoon, mochten Alisa en ik in enorme zwarte massagestoelen plaatsnemen. Op enkele nagelstylistes na was er niemand in de zaak. Het rook er misselijkmakend sterk naar acryl en aceton. Een styliste ging aan de slag met mijn dochter. Ik moest mijn voeten en handen in een waterbadje dompelen en aan beide kanten kwamen dames zitten om mijn nagels te knippen en vijlen.
Alisa kletste honderduit over welke kleurtjes lak ze mooi vond. Maar ik werd steeds stiller. Ik begon keihard te gapen en voelde me ineens doodmoe worden. De hele vakantie kampte ik al met een heftige slijmbeursontsteking in mijn schouder en daarvoor slikte ik pijnstillers. Bij de lokale drogist had ik Naproxen/Diclofenac-achtige pillen gevonden die je in Nederland alleen op recept meekrijgt. Ik vermoedde dat de zware medicatie me slaperig maakte, want het laatste dat ik nog weet, is dat ik tegen mijn dochter zei dat mama zich zo moe voelde en even haar ogen wilde sluiten.
Wat er daarna is gebeurd, kan ik me nauwelijks herinneren. Ik viel namelijk niet in slaap, ik viel flauw. Alisa zag mijn hoofd naar voren klappen en begon keihard te gillen dat ik wakker moest blijven. Ze riep tegen haar broertje dat hij papa moest gaan zoeken, ondertussen steeds ‘Mama, mama, word wakker!’ schreeuwend.
Toen mijn man de salon binnenstapte, zag hij mijn hoofd op mijn borst hangen. Hij voelde een zwakke hartslag in mijn pols en maande de nagelstylistes – die tot dat moment nog rustig verder vijlden – dat ze hun chef moesten halen en 911 bellen. Vaag hoorde ik de paniek en het gegil van mijn dochter en de bezorgde stemmen van Roeland en Renzo op de achtergrond. Ik wilde wel iets zeggen, maar het voelde alsof ik op slot zat in mijn lichaam. De ambulance én brandweer, die standaard meekomt vanwege een eventuele reanimatie, arriveerden ontzettend snel. Ik hing nog steeds kwijlend met mijn hoofd voorover in de massagestoel. Ik kon alleen maar kreunend murmelen.
Er stonden wel vijf mannen om me heen om me uit de stoel te trekken en op een brancard te leggen. Eenmaal in de ambulance kwam ik weer bij. Ik voelde me nog suffig, maar stukken beter. Ik wilde absoluut niet vervoerd worden, laat staan naar een ziekenhuis. Als ik nou maar even mocht slapen was er niets meer met me aan de hand, zo hield ik de broeders voor. Dus toen Roeland informeerde naar welk ziekenhuis ze me gingen brengen, kreeg hij te horen dat ik zei niet meer mee te willen. Roeland was onverbiddelijk: ik had niets te willen, ik móést mee. Hij was doodsbang me te verliezen. Roeland is politieagent en weet als geen ander wat er allemaal kan gebeuren. Hij dacht aan een beroerte, omdat ik zo lang en diep weg was gezakt en mijn vader een paar jaar eerder een hersenbloeding had gehad.
VERDER LEZEN?
- Krijg onbeperkt toegang tot alle artikelen
- Lees LINDA.magazine online
- Geniet van te gekke winacties en lekkere puzzels
- Maandelijks eenvoudig opzegbaar







































