Als ik van de afdeling afloop, zie ik dat zijn vrouw nog even naar me toeloopt. Ze aarzelt, kijkt of niemand meeluistert, en fluistert dan: ‘Ik hoop dat u mij niet verkeerd begrepen heeft. Ik wil echt dat hij nog even bij me blijft … en tegelijk hoop ik dat zijn lijden stopt.’
Haar stem breekt bijna op het laatste woord. Ze kijkt weg, alsof ze haar eigen zin niet helemaal durft aan te kijken.
Ze denkt terug aan het gesprek dat we kort daarvoor voerden met haar stervende man erbij. Ik had gezien dat ze schrok van haar eigen opmerking dat het misschien wel genoeg was. Hij had gereageerd met zwijgen. Dat zwijgen vulde de kamer. Ik voelde de spanning tussen hen, de liefde, de vermoeidheid van de laatste dagen. In het korte gesprek daarna probeer ik haar uit te leggen dat je soms twee dingen tegelijk kunt voelen die elkaar tegenspreken en toch allebei waar zijn.
'Wie ooit bij een sterfbed heeft gewaakt, weet hoe anders de tijd loopt: de dagen worden trager, de nachten langer'
Bij ernstige ziekte verlangen we vaak naar duidelijkheid. We willen een verhaal met een begin, midden en einde. Een diagnose met een behandelplan. Een beslissing die “goed” is, het liefst met terugwerkende kracht. Alsof het leven een rechte weg is waarop je vooral niet te veel moet slingeren. Maar in werkelijkheid slingert het bijna altijd. Soms zo heftig dat je zelf je evenwicht kwijt bent.
Die slingerbeweging is een innerlijke tweestrijd: tegelijkertijd iets willen en het tegenovergestelde óók. Het hart dat twee kanten op wordt getrokken en weigert om zich in één richting te laten vastzetten. Ik hoor en zie die dubbelheid in mijn werk elke dag. Mensen die zeggen: “Ik wil zo graag blijven … maar ik ben ook zo moe.” “Ik hoop dat de behandeling werkt … maar ik ben zo bang voor die behandeling.”
En ouders die stoer knikken voor hun kinderen, en daarna in de gang tegen de muur zakken omdat ze zelf weer een bang kind zijn. We proberen die tegenstrijdigheid vaak netjes op te ruimen. We zoeken nietszeggende zinnen die als een doekje over een tafel gaan: ‘Het komt goed.’ ‘Je moet positief blijven.’ ‘Niet zo piekeren.’
Maar die dubbelheid laat zich niet wegpoetsen. Ze blijft zitten. Ze schuift haar stoel dichterbij, maakt het stil en zegt: “Beide.” Beide waar, beide voelbaar, beide legitiem. Ook bij artsen en zorgverleners leeft die spagaat. Ik voel het zelf, ik wil iemand de volle waarheid geven en tegelijk wil ik de hoop niet uit iemands handen slaan.
Ik wil nabij zijn, en tegelijk genoeg afstand houden om zelf niet om te vallen.
Ik geloof in behandelingen, en ik weet dat grenzen soms al lang bereikt zijn. Er is geen rechte lijn. Het is voortdurend balanceren, schuiven, opnieuw durven kijken. Ambivalentie is vermoeiend omdat ze niets doen voor ons besluit. Ze dwingt ons te blijven zitten in het tussengebied, waar niets zeker is en alles openblijft. Maar misschien is dat wel de enige plek waar het leven het eerlijkst is.
'Artsen buigen zich over je heen, praten, beslissen terwijl jij daar als patiënt ligt, op je kwetsbaarst'
Het is de plek waar liefde én irritatie naast elkaar bestaan aan een ziekbed. Waar je iemand dankbaar kunt aankijken en hem in dezelfde seconde alles wil besparen. Waar opluchting na een overlijden zich vermomt als schuldgevoel, terwijl beide slechts verschillende talen zijn van hetzelfde: houden van en moeten loslaten of anders leren vasthouden.
We hoeven die innerlijke tegenstrijdigheden niet op te lossen. We hoeven ze alleen te verdragen. Er wordt vaak niet gevraagd om antwoorden, maar om aanwezigheid. Om iemand die naast je blijft zitten terwijl jij zelf niet weet wat je voelt. Iemand die niet dwingt tot kiezen, maar zacht zegt: “Kan het ook zijn dat het allebei waar is?”
Misschien ontstaat die dubbelheid juist door liefde. We voelen twee kanten tegelijk omdat iemand ons eindeloos dierbaar is. Liefde maakt het hart ruim en in een ruim hart past zelden maar één gevoel tegelijk. Aan het eind blijft nooit een sluitende conclusie over. Behalve dat je tegelijk bang en moedig mag zijn, uitgeput en dankbaar, verlangend en loslatend. Ambivalentie hoeft niet gladgestreken te worden om het goed te doen.
Als ik even later de afdeling verlaat, zie ik haar in een flits weer naast zijn bed zitten. Ze houdt zijn hand vast zoals je een breekbaar voorwerp vasthoudt dat je echt niet kwijt wil. Er is geen keuze gemaakt tussen blijven of loslaten. Ze is er gewoon. En in die stilte hoor ik het nog één keer, zonder woorden: “Beide.”
Het beste van LINDA. direct in je mail? Meld je aan voor onze nieuwsbrief.
'Aan de patiënt vertellen dat ‘opgeven’ wél een optie is, creëert ruimte om afscheid te nemen'















