‘Ze is leuk, dat moet ik hem nageven’

Verlaten vrouw

‘Ze is leuk, dat moet ik hem nageven’

tekstCorine Koole

Hadden Daphne (42) en haar man elkaar nou maar niet al als tieners ontmoet, dan zouden ze misschien hebben leren praten met elkaar.

“IK WAS VEERTIEN TOEN er elke week een blonde jongen langs de deur kwam om reclamefolders in de bus te doen. Hij zag eruit als die ene van de Backstreet Boys en elke keer als ik hem zag aankomen, verschanste ik me achter het open raam en floot naar hem. De rest van de week ging voorbij zonder dat ik aan hem dacht, maar als het dan weer dinsdag of woensdag werd – de dag van de folders – zorgde ik altijd dat ik op tijd thuis was om een glimp van hem op te vangen.
Ik was een stoer meisje, zat op voetbal. Toen ik op een dag werd gevraagd met het jongensteam mee te spelen, zag ik de folderjongen weer: hij speelde in hetzelfde team. Ik was verrast, durfde niet te zeggen dat ik dat meisje was achter het raam, maar bedacht toch een manier om hem binnen te hengelen. Ik schreef een romantische brief en vroeg een teamgenoot die aan hem te geven. Hij belde, we spraken af in een discotheek en daar zoenden we. Mission accomplished, ware het niet dat ik al snel besefte dat ik helemaal niet toe was aan een vast vriendje. En dus maakte ik het uit. Konden we weer verder met ons tienerleven: zoenen met anderen, precies zoals het hoort bij veertienjarigen. Experimenteren, erachter komen wat en wie bij je past. Later heb ik nog gedacht: wat als het daarbij was gebleven en ik hem niet een paar maanden later had zien zoenen met een ander meisje?
Alle eerdere gevoelens speelden weer op, en dan niet zoals uit de tijd van de folders, maar heviger en serieuzer. Ik maakte kennis met spijt en jaloezie en wist ineens: ik had hem nooit moeten laten gaan.. Ik stuurde hem een valentijnskaart met de tekst: ‘Ik vind je eigenlijk nog steeds heel erg leuk.’ En weer belde hij: ‘Ik jou ook, zullen we het weer proberen?’ Vijftien waren we intussen en volwassen, vonden we. Vijftien en rijp voor verkering.
Hij was het met wie ik de komende twintig jaar van mijn leven zou delen, die de vader van mijn kind zou worden en me ten slotte ook weer zou verlaten. Maar voor het zover was, zouden we eerst nog heel wat glorie­jaren doorbrengen samen. Het klopte met zijn tweeën, we vonden elkaar superleuk. Ik de extraverte, hij de wat stillere. Ik de havist en hij de vwo’er. De tweede keer was ik nog verliefder dan de eerste en het lukte goed om onze eigen en gezamenlijke activiteiten te combineren. Het hielp natuurlijk dat we allebei op voetbal zaten en dezelfde vrienden­­groep hadden.
In 2006 zijn we verhuisd, ik had intussen de pabo afgerond en hij de universiteit. Het zou een van de mooiste periodes worden van mijn leven. We verdienden genoeg om uit te gaan en te reizen, we hadden alle vrijheid en het leek vanzelfsprekend dat we zouden trouwen. In Parijs ging hij op zijn knieën. We planden de bruiloft voor april, maar toen hij op een februaridag terugkwam van zijn werk, liet ik hem mijn zwangerschapstest zien. ‘Wacht even,’ zei hij nog, toen ik het nieuws zo kalm mogelijk probeerde in te leiden, ‘eerst even een biertje.’ Hier had hij niet op gerekend, we hadden afgesproken eerst te gaan trouwen en daarná zouden we pas gaan nadenken over kinderen. Achteraf denk ik dat de verwijdering toen is ingezet, al zou het nog jaren duren voor die met zijn vertrek definitief zou worden. Ik geloof niet dat ik me dat op dat moment realiseerde, of durfde te realiseren. Maar terugdenkend aan die eerste zwangerschap, herinner ik me niet dat hij ook maar één keer zijn hand op mijn buik heeft gelegd. Bezoeken aan de verloskundige legde ik meestal in mijn eentje af. Ik was ­vervuld van alles wat komen ging en negeerde andere onvoorspelbaarheden.