Ik ontmoet hem in kamer 214. Een aantrekkelijke vent met een vrolijke snoet. Hij heeft me voor vijf uren geboekt. Een geopende fles wijn staat klaar en hij biedt een glas aan. We proosten.
Hij vertelt over zijn land, Zuid-Afrika, en zijn passie is aandoenlijk. Al pratend over de inheemse dieren en de vriendelijkheid van de mensen verzacht zijn gezicht. Het maakt hem nog knapper. Ineens loopt hij naar zijn bureau, start zijn laptop op en vraagt of ik bij hem kom zitten. Terwijl ik tegen hem aanleun, laat hij me foto’s zien van zijn lodge. Hij runt een prachtig minihotel. Ik zie houten veranda’s en dromerige charme. Nooit ben ik in zijn land geweest en ik kijk mijn ogen uit.