Hij is al veel geprezen, de Netflix-documentaire The Greatest Night in Pop over die ene nacht dat een hele rits aan Amerikaanse popsterren bij elkaar kwam. ‘USA for Africa’ heette het initiatief om geld op te halen voor de hongersnood in Afrika met het lied We Are The World.
Dat was in 1985. Een deprimerende 39 jaar geleden, maar ik kan het me als de dag van gisteren herinneren. We Are The World was een monsterhit die enorm veel geld binnenhaalde. Het idee kwam van Bob Geldofs Britse ‘Band Aid’ met het lied Do They Know It’s Christmas.
In de documentaire komen de hoofdrolspelers van weleer aan het woord, onder wie een vreselijk sympathieke Lionel Richie, die samen met Michael Jackson het lied schreef. De opname vond dus plaats op één nacht en alles werd met camera’s vastgelegd. Dat levert vermakelijke beelden op.
Je ziet Michael Jackson in zijn eentje alvast het lied opnemen terwijl alle sterren bij de uitreiking van de American Music Awards (AMA) zijn. Er zijn beelden van de artiesten die allemaal aankomen bij de studio waar de opname is en op archiefbeeld is te zien hoe de sfeer is op de vloer, een beetje onwennig, giechelig.
Maar vooral is te zien hoe verfrissend ‘gewoon’ sommige sterren van toen waren – behalve Prince, die nam zijn lijfwacht mee het podium op om zijn prijs in ontvangst te nemen (!), maar hij was dan ook niet bij de opname.
De andere sterren kwamen allemaal alleen naar de studio zonder poeha, vonden het spannend, waren onzeker en onder de indruk van elkaar. Op een gegeven moment spreekt opnameleider Quincy Jones hen streng toe dat ze stil moeten zijn en dat zijn ze dan ook.
Diana Ross vraagt aan iemand een handtekening en meteen daarna vraagt iedereen elkaars handtekening. Op de gezichten zie je de kwetsbaarheid van de artiesten, onzeker over hun opname, hun stem, of ze het wel goed hebben gedaan. Al Jarreau is dronken en Lionel Richie probeert iedereen tevreden te houden.
Wat een fenomenaal verschil met de grote namen van nu, die zich als halfgoden gedragen en zich nergens vertonen zonder hofhouding. Bekendheid en faam gaan aan de haal met veel mensen en halen het meest onsympathieke in hen naar boven.
Vroeger moest je veel geduld hebben en als het dan lukte om langs die ene medewerker te komen, kon je zomaar ongestoord in gesprek met David Lynch, Iggy Pop, Willem Dafoe, Bishop Tutu of Snoop Dogg. Tegenwoordig moet je langs een vesting van medewerkers om vervolgens afgewezen te worden. En niet alleen de sterren, iedere aspirant-bekendheid met wat volgers op sociale media gedraagt zich als een opgeblazen kikker.
Laatst deed ik een interviewverzoek uit voor een artikel. Van de persmedewerker kreeg ik een waslijst aan vragen en als ik die beantwoord had, kon hij het voorleggen aan de desbetreffende persoon en konden we het dáárna over de inhoud van de vragen gaan hebben. Alsof ik een presidentskandidaat in verkiezingstijd ging interviewen.
Ik heb vriendelijk en in omfloerste woorden bedankt.
