
Suzette (38) heeft twee jonge zoontjes als ze baarmoederhalskanker krijgt. Terwijl de jongens ruziënd om haar heen rennen, belandt ze in een rollercoaster. Maar de echte angst komt pas als ze genezen is verklaard. “De pannen, microplastics: alles moet het huis uit.”
“Een uitstrijkje laten maken stond voor mij jarenlang gelijk aan een tandartscontrole. Tussen mijn twintigste en dertigste waren er in mijn baarmoederhals zo vaak afwijkende cellen gevonden, dat geen uitslag me nog echt zorgen baarde. PAP 2, 3a of 3b? Ik had geen stress, ze hielden me goed in de gaten. Op mijn dertigste werd ik overgedragen aan het bevolkingsonderzoek. De laatste twee uitstrijkjes waren volledig vrij van HPV geweest, dus een vijfjaarlijkse controle zou vanaf dat moment kunnen volstaan. Met lichte weemoed nam ik afscheid van mijn twee favoriete assistentes op de poli.”
DRUK, DRUK, DRUK
“De oproep voor het bevolkingsonderzoek viel rond mijn 35ste verjaardag keurig op de deurmat. Ik was op dat moment zwanger van onze tweede zoon en had veel aan mijn hoofd. Werk, een verbouwing, een dreumes, de hond, echo’s, NIPT-testen: waar moest ik de tijd vandaan halen voor een huisartsbezoek? Mijn verloskundige stelde me gerust. ‘Tijdens een zwangerschap is de interpretatie van een uitstrijkje sowieso lastig, dus je kunt er beter mee wachten tot na de bevalling.’ Maar na die bevalling was het nog steeds alle hens aan dek en zo belandde de oproep in een keukenla. Totdat een goede vriendin anderhalf jaar later vertelde over een leeftijdsgenoot met baarmoederhalskanker. Ontdekt via het bevolkingsonderzoek. Baarmoeder eruit, leven aan een zijden draadje. Shit, dacht ik. Binnen twee dagen zat mijn thuistest op de post. Bijna twee jaar na de oproep.
Het is zes uur ’s avonds als de huisarts belt. Aan tafel is tussen mijn jongens net een oorlog uitgebroken. ‘Luit heeft een streep op mijn tekening gezet!’ Er volgt een stomp, een vuist en daarna tweestemmig gejank. Ik weet waar de huisarts voor belt: de uitslag van mijn uitstrijkje. In mijn thuistest waren weer eens afwijkende cellen aangetroffen, dus er was vervolgonderzoek nodig geweest. Ik eis – zonder al te veel succes – stilte van mijn jongens en neem de telefoon op.
‘Met Suzette.’
‘Goedenavond, mevrouw …’ De huisarts hakkelt dat ze op dit tijdstip normaal geen patiënten meer belt, maar dat ze hier niet tot morgen mee wilde wachten. Ze vraagt wat ik aan het doen ben en of ze gelegen belt.
‘Nou, ik sta boven de pannen, mijn man is op vakantie en mijn zoons staan op het punt elkaar te vermoorden’, zeg ik lachend.
Geen lach terug.
‘Misschien kun je beter even gaan zitten.’
De uitslag is niet goed: PAP 4. Ik moet zo snel mogelijk naar het ziekenhuis voor vervolgonderzoek. De dokter zegt het heel ernstig. Ik probeer kalm te blijven. Ze lossen het toch wel weer op? Dat deden ze altijd. De huisarts ratelt nog wat andere dingen die ik niet goed hoor. Als ze ophangt zegt ze: ‘Het spijt me. Heel veel sterkte.’”
DAT WOORD
“De dagen daarna pep ik mezelf op. Wat een angsthaas, die huisarts. Eerst maar eens de feiten op een rij krijgen. Ik voel me bovendien goed en mijn gevoel zit er niet vaak naast. Als ik me vier dagen later in het ziekenhuis moet melden, zeg ik tegen mijn man dat hij wel thuis kan blijven. Dit varkentje heb ik vaker gewassen. Ik ren net iets te laat de deur uit: ‘Zo weer thuis!’
Ik blijk er compleet naast te zitten. De gynaecoloog zegt dat ik zeer waarschijnlijk baarmoederhalskanker heb. Dat woord. Ik krijg het mijn strot amper uit. Paniek golft door me heen. ‘Oké,’ zeg ik. ‘Het enige wat ertoe doet, is dat ik niet doodga. Ik heb twee jonge kinderen. Dus dat kan niet.’ Ik denk aan mijn jongste. Die wordt al kwaad als niet ik, maar mijn man hem uit zijn Tripp Trapp tilt. De arts zegt dat er eerst meer onderzoek nodig is voordat ze verdere uitspraken kan doen.
Thuis vertel ik mijn man het slechte nieuws. Hoogstwaarschijnlijk baarmoederhalskanker, meer weten ze nog niet. Ik schiet vol en voel aan alles dat ik even alleen wil zijn. Ik zie dat mijn man het ook moeilijk heeft, maar ik ben verdoofd. Het is ieder voor zich. Ik loop naar de slaapkamer en barst in huilen uit. Wat moeten we de jongens vertellen? Dat ik doodga? Of misschien doodga? En dat mama aankomende tijd heel vaak naar het ziekenhuis moet? Eén ding weet ik wel: als ik dit overleef, ga ik elke minuut genieten van de kinderen. ’s Ochtends brengen mijn man en ik de jongens samen naar de opvang. We hebben besloten dat we doen alsof er niets aan de hand is. Dat voelt gek, maar wat moet je kinderen van drie en één vertellen? We weten bovendien zelf nog zo weinig. De jongens voelen onze stress. Hoewel ze ’s ochtends normaal gesproken in opperbeste stemming zijn, beginnen ze in de auto meteen ruzie te maken. ‘Hij raakte mij aan’ en ‘Maar hij raakte mij als eerste aan’. Ik schreeuw of ze verdomme niet één keer in de auto kunnen zitten zonder ruzie te maken. Als we de jongens hebben afgezet, rijden we door naar het ziekenhuis. We zeggen weinig, ik denk aan de kinderen. Twee kinderen zonder moeder. Meteen heb ik spijt van mijn uitbarsting. ‘Zoek maar snel een nieuwe vriendin’, zeg ik tegen mijn man. Ik huil. ‘Als ze het maar wel goed met de jongens kan vinden.’ Mijn man huilt ook.”
HET IS ECHT ZO
“In het Antoni van Leeuwenhoek ziekenhuis wordt het een week later bevestigd: baarmoederhalskanker. Stadium 1, maar een ingewikkeld type. Het is gek hoe dit soort dingen werken. Als je jong bent, waan je jezelf onaantastbaar. Natuurlijk weet je dat er mensen zijn die kanker krijgen. Je ziet het op tv, je hoort de verhalen en voor mijn werk heb ik er regelmatig over geschreven. Voor KiKa, voor het KWF. Je denkt: wat erg. En: hoe zou ik daar zelf mee omgaan? Maar vervolgens ga je weer door met je leven.
Totdat het ineens jouw werkelijkheid wordt. Het beeld van mijn twee jongens achter een doodskist. Ik ervaar de kwetsbaarheid van het moederschap ineens op volle kracht, maar extra van mijn kinderen genieten lukt me niet. Zij voelen mijn spanning en reageren daarop met meer gejammer en geruzie dan ooit. Het is een vicieuze cirkel die ik niet kan doorbreken. Mijn man en ik vinden elkaar ook niet altijd. Op momenten dat ik het moeilijk heb, ziet hij het ineens positief in – en andersom. Dat geldt ook voor vrienden en familie. Het is lastig om bij mij de juiste snaar te raken. Bloemen en zware woorden vind ik overdreven, geen woorden voelt onattent.
VERDER LEZEN?
- Krijg onbeperkt toegang tot alle artikelen
- Lees LINDA.mini magazine online
- Iedere week mega mini deals speciaal voor jou
- Maandelijks eenvoudig opzegbaar
















